Nu moet je weten dat wij meer stad, strand en riviermensen zijn dan bergmensen. Ik hou daarnaast ook niet van dennenbossen. Meren in bergachtig gebied brengen bij mij altijd de associatie van puzzels in duizenden stukjes boven. Diepe meren die de donkere wanden van de bergen nog een keer spiegelen. Via Klimt zijn wij dus toch bij een meer aangekomen, de Attersee. Eerlijkheid gebiedt te zeggen, wij zijn verliefd geworden op dat meer. Dat komt natuurlijk mede doordat de historie van het vroege toerisme hier nog te zien en te voelen is. Maar het komt ook door het meer. De kleur van het meer is namelijk totaal anders dan de omliggende meren. Het is turquoise. Als je een foto maakt vanaf de oever, hebben mensen het idee dat je aan een zeestrand staat en niet aan een meer. Je zou kunnen denken dat de lichte kleur ontstaat doordat het minder diep is, maar dit door gletsjers gevormde meer is 170 meter diep. De kleur ontstaat doordat het ligt in een gebied met kalksteen en dolomiet. Smelt- en regenwater lossen fijne kalkdeeltjes op, dit wordt ‘gletsjermeel’ genoemd. Die microscopisch kleine deeltjes blijven in het water zweven en weerkaatsen vooral blauw en groen licht, wat een heldere turquoise effect geeft. Het water heeft weinig voedingsstoffen, algen of plankton en blijft daardoor helder.