Rotes Wien (Rood Wenen)
Wenen

Rotes Wien (Rood Wenen)


Als ik dit schrijf is het verkiezingstijd. Overal zijn er programma’s, podcasts en debatten ter voorbereiding van de landelijke verkiezingen. Wonen staat centraal en de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat geen van de partijen iets aandraagt wat op korte termijn tot een versnelling van de woningproductie zal leiden. Bijzonder om te constateren dat de nostalgie weer de boventoon voert. Is het niet met de maakbaarheid van ons land in het programma van tien nieuwe steden in Nederland dan wel met de glorieuze rol van de woningcorporaties van weleer in de volkshuisvesting. Bij dat laatste wordt overigens niet alleen naar ons eigen land gekeken maar ook naar het Weense model. Het model van de stad die nog altijd Rotes Wien wordt genoemd, maar wat is dat dan eigenlijk, dat Weense model?

Om iets zinnigs over het Weens model te kunnen zeggen, is terugkijken in de geschiedenis van deze stad een vereiste. We gaan met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis heen om vervolgens langer stil te staan bij het begin van de 20e eeuw. Wie meer over de geschiedenis van de stad wil weten, raden we aan een bezoek te brengen aan het vernieuwde Wien Museum. De ligging - in het midden van Europa, aan de Donau en aan belangrijke handelsroutes - was voor de Romeinen een reden om hier een stad te stichten. De stad bleef een belangrijke positie houden in de middeleeuwen en de Renaissance om vervolgens uit te groeien tot de residentiestad van opeenvolgende keizers. Aanvallen op de stad kwamen vooral uit het oosten, uit Turkije. De stad kwam telkens weer sterker en belangrijker uit de strijd. De stad werd het hart van het grote rijk onder leiding van de Oostenrijkse Habsburgers dat rond 1700 80.000 inwoners telde. De culturele bloei onder Keizer Joseph II (1741-1790), ook keizer van het Heilige Roomse Rijk, gaf een impuls aan de bouw van theaters en concertzalen. Hij bouwde ook talloze paleizen en eigen kerken in een Oostenrijkse barokke stijl.

Oostenrijks Hongaars Rijk
Oostenrijks Hongaars Rijk

De barokke periode eindigde met de Franse Revolutie in 1789, de stad telde toen 207.000 inwoners. In 1804 ontstond het Oostenrijkse keizerrijk toen keizer Frans II zichzelf tot erfelijk keizer uitriep over de gebieden die tot de Habsburgse monarchie behoorden. Formeel had hij deze gebieden slechts in een personele unie geregeerd. In 1805 stonden de legers van Napoleon aan de stadspoorten van Wenen. Op 6 augustus 1806 deed hij afstand van de (inmiddels lege) keizerstitel van het Heilige Roomse Rijk, mede uit de vrees dat Napoleon Bonaparte deze titel voor zich zou opeisen. Om de toekomst van zijn rijk te verzekeren, huwelijkte keizer Frans I in 1810 zijn dochter Maria Louise Leopoldina Francisca Theresia Josepha Lucia van Habsburg-Lotharingen (1791-1847) uit aan Napoleon Bonaparte (1769-1821). Zij werd zijn tweede echtgenote. Het keizerrijk was sinds zijn oprichting de derde staat van Europa met 21,2 miljoen inwoners (in 1804), na Rusland en Frankrijk. Het land was op dat moment een multinationale staat, waarin verschillende volkeren leefden: Oostenrijkers, Duitsers, Hongaren Tsjechen, Roemenen, Polen, Slowaken, Kroaten, Roethenen, Italianen, Roma en Joden.

Het vechten tegen Frankrijk ging door. Napoleon werd uiteindelijk gestopt bij de Slag bij Leipzig in 1813, in het Duits bekend als Völkerschlacht. Wenen kwam met het Congres van Wenen in 1814/1815 weer in het middelpunt te staan van de Europese geschiedenis. Het congres bestond niet uit één maar meerdere formele en informele bijeenkomsten van ruim 200 vertegenwoordigers uit Europa, met als doel een plan voor de Europese vrede op effectieve wijze gezamenlijk te regelen en vast te leggen. Oostenrijk kreeg alle verloren gebieden weer terug met uitzondering van de Oostenrijkse Nederlanden en Voor-Oostenrijk. Het land bleef daarna in gevecht met Frankrijk en Pruisen om de zeggenschap in elkaars gebieden.

Oostenrijk werd vanaf 1835 geregeerd door Ferdinand I van Oostenrijk (1793-1875). Wegens zijn zwakke gezondheid werd hij de ‘marionetkoning’ genoemd. Tussen 1836 en 1848 werd het land feitelijk niet door Ferdinand, maar door de Geheime Staatsconferentie bestuurd, bestaande uit Klemens von Metternich, Franz Anton von Kolowrat-Liebsteinsky, Ferdinands broer aartshertog Frans Karel en zijn oom aartshertog Lodewijk. In 1848 brak er een burgerrevolutie uit. Keizer Ferdinand vluchtte en deed afstand van de troon ten gunste van zijn broer Frans Karel. Maar onder zware druk van de vrouw van zijn broer werd zijn neef, de 18-jarige Frans Jozef I (1830-1916), benoemd tot keizer. Hij werd keizer van een groot rijk: het keizerrijk Oostenrijk, het koninkrijk Hongarije (vanaf 1867 meer autonoom als koninkrijk), Joegoslavië, een deel van noord-Italië en Oekraïne. De uitdrukking ‘k und k’ wat je op diverse plekken in de stad tegenkomt, staat voor kaiserlich und königlich, de dubbelmonarchie. Met de komst van deze keizer veranderde de stad Wenen voorgoed.

Keizer Franz Jozef I had een hele conservatieve reputatie; hij was niet bijzonder intellectueel, wel nauwgezet en ijverig. Hij moest niets hebben van de nieuwe ontwikkelingen zoals machines en auto’s. Toch was het onder zijn bewind in 1857 dat werd besloten om de 13e-eeuwse stadsmuren van Wenen te slechten. Op die wijze kon de binnenstad worden verbonden met de voorsteden (nu de districten II tot en met IX) die zich mede door de industrialisatie fors hadden ontwikkeld. Zo ontstond er ruimte voor de ontwikkeling van de Ringstraße (1857-1865) op de plek van de oude stadmuren. Het was een nieuwe monumentale straat waar alle belangrijke gebouwen aan werden gebouwd, zoals ministeries, raadhuis, parlementsgebouw, universiteit en musea. Aan de Ringstraße werden 150 openbare gebouwen en 650 huurkazernes gebouwd. Omdat alle gebouwen in dezelfde tijd en stijl werden gebouwd, werd ook wel van een Ringstraßestijl gesproken. De ontwikkeling van deze ringweg was uniek voor zijn tijd en een voorbeeld was voor andere steden.

Wenen
Wenen

De nieuwe ontwikkelingen gingen niet aan de stad voorbij. Begin 18e eeuw had de industrialisatie voet aan de grond gekregen en in 1830 werd met de bouw van de spoorwegen gestart nadat de stoomvaart zich op de Donau had ontwikkeld. Dit bracht een trek naar de stad met zich mee en een grote vraag naar woningen. Deze mensen vonden huisvesting in een van de huurkazernes (in het Duits Mietkasernes) in de nabijheid van de industrie aan de randen van de stad. De huurkazernes werden door particulieren gebouwd (veelal fabriekseigenaren). Er waren keerzijden aan deze groeispurt. Met de groei van de bevolking waren de omstandigheden waarin zij moesten wonen erbarmelijk. Er heersten veel ziekten. Die leiden uiteindelijk tot de aanleg van waterleidingen en de bouw van ziekenhuizen. In 1870 werd de Donau gekanaliseerd om de stad te behoeden voor overstromingen. De gebieden die daarmee vrijkwamen, werden bij de stad ingelijfd en waar mogelijk bebouwd. In 1873 werd het plan voor een snelle stoomtramverbinding bedacht tussen het centrum en het terrein voor de Wereldtentoonstelling. Door een beursval kwam het niet tot uitvoering, maar het heeft de basis gevormd van de latere U-bahn (metro). Veel oog was er ook voor de aanleg van groen en parken als compensatie voor de dichtbevolkte arbeiderswijken. De stad had eind 19e eeuw twee miljoen inwoners en was daarmee de zes-na-grootste stad van de wereld.

Poster
Poster

De Eerste Wereldoorlog startte met de moord op kroonprins Frans Ferdinand in Serajevo (dat in het keizerrijk Oostenrijk lag) in 1914. Twee jaar later overleed Franz Josef I en ging de troon naar Keizer Karel I (1877-1922). Hij kon het Oostenrijks-Hongaars monarchie niet behoeden voor de val. Het einde van de oorlog in november 1918 betekende ook het einde van dit groot Europees rijk. De impact was enorm. Van een rijk van ongeveer 56 miljoen mensen, werd het land Oostenrijk teruggebracht naar een gebied met 6,5 miljoen mensen waarvan een kwart in de stad Wenen woonde. De stad was een waterhoofd geworden. Door de stad los te koppelen van het Bundesland Niederösterreich, kon in 1919 een sociaaldemocratische meerderheid de stad besturen. De massa werkloosheid en woningnood als gevolg van de oorlog moesten snel worden opgepakt. Door nieuwe gemeentebelastingen te heffen werd een nieuw woningbouwprogramma gefinancierd. Daarvoor werden met name de Weense bezitters van huispersoneel, rijpaarden en automobielen aangeslagen.

Het doel van het woningbouwprogramma was het verbeteren van de levensstandaard van de bewoners van de stad. De bestaande woningen – vaak gesticht in de Gründerzeit in de tweede helft van de 19e eeuw – beschikten niet over een wateraansluiting of toilet. De woningdichtheid was enorm wat ertoe leidde dat er maar weinig daglicht in de woningen kwam. De stad schreef voor dat alle nieuwe woningen voorzien moesten zijn van natuurlijke ‘belichting en beluchting’. De oude structuur van de gesloten bouwblokken werd weer van stal gehaald; de binnenhoven zorgden voor licht en lucht en bovendien ruimte voor gemeenschappelijke voorzieningen. De woningen boden een veel hogere woonkwaliteit dan men gewend was: aansluitingen op het elektriciteitsnet, eigen sanitair en een kookaansluiting op gas.

Sociale woningbouw Wenen
Sociale woningbouw Wenen

Het woningbouwprogramma liet ruimte voor twee verschillende richtingen: de realisatie van zogenaamde Superblöcken (superblokken) en buurten volgens de tuinstadbeweging. De superblokken kregen ruim baan onder de nieuwe burgmeester Karl Seitz in 1923 die de voorgaande burgemeester Jakob Reumann (aanhanger van de tuinstadbeweging) opvolgde. Superblokken zijn grootschalige woningbouwprojecten die door de Wiener Stadtbauamt (gemeentelijke bouwbedrijf) zijn gebouwd. Het superblok bood voor de woningbouw ook economische en infrastructurele voordelen en ondersteunde de ontwikkeling van de nieuwe sociale gemeenschap. Men zette zich hierbij men zich af tegen de kleinburgerlijke idylle van voor de oorlog. Het voordeel van de superblokken was ook gelegen in het feit dat er veel ruimte voor gemeenschappelijke voorzieningen was. Gemeenschapsruimten, kinderopvang, speelplaatsen, openbaar groen en vuilnisophaal werden onderdeel van de superblokken. Er werden daarnaast in de buurt veel sociaal-maatschappelijke projecten gerealiseerd zoals kindertehuizen, scholen, zwembaden en klinieken. Na 10 jaar werken aan Rotes Wien kwam een einde door de machtsovername van Hitler in Duitsland waardoor in Oostenrijk in 1934 de sociaaldemocratische regering viel. Er zijn in die tijd ongeveer 65.000 woningen gerealiseerd, 89% van die woningen in gestapelde bouw. De woningbouw kwam later volledig stil te liggen door de Anschluß van Oostenrijk bij nationaalsocialistisch Duitsland in 1938.

De bekendste van de superblokken is aan de Heiligenstadter Straße uit 1927-1930, de derde na grootste van de superblokken in Wenen. Het project is gebouwd op een oude arm van de Donau die na het rechttrekken van de rivier werd drooggelegd. Het complex telt 1382 woningen en was geschikt voor ongeveer 5000 bewoners. De woningen variëren in grootte van 21 tot 57 m2. In onze ogen nog altijd kleine woningen, maar ruimer dan men gewend was. Bovendien maakte de kleine woningen het mogelijk een groter aantal woningen in een blok te realiseren. In dit complex tref je een kinderopvang, consultatiebureau, centrale wasruimten, bibliotheek, postkantoor en kliniek aan. Het gebouw dat is vernoemd naar Karl Marx kreeg de bijnaam Ringstraße des Proletariats (Ringstraat van het proletariaat).

Karl Marx Hof
Karl Marx Hof

Het project is ontworpen door Karl Ehn (1884-1959). Hij heeft bij de beroemde Weense architect Otto Wagner (1841-1918) gestudeerd. Vanaf twee jaar na zijn studie en tot 1950 heeft hij bij de Wiener Stadtbauamt gewerkt, vanaf 1921 in leidinggevende functies. Karl-Marx-Hof is eigenlijk een stad in een stad. De hoofdfaçade is ruim een kilometer lang, op dat moment het langste woongebouw in de wereld. De hogere torens met vlaggenmasten en de lage, bijna dorpse nutsgebouwen op het binnenhof zorgen voor extra accenten. Het gebouw is afwisselend drie en vijf verdiepingen op een souterrain en met een zolder. De woningen zijn via een kleine honderd Stiegen (opgangen) te bereiken. De woningen zijn om drie binnenhoven en één buitenhof gegroepeerd. Een drietal Gassen (straten) doorkruist de bebouwing via imposante boogvormige poorten, met keramieken van vrouwenbeelden. Deze zijn ontworpen door de kunstenaar Josef Franz Riedl en stellen Voorlichting, Vrijheid, Bescherming en Körperkultur (de natuurlijke staat van het lijf) voor.

Het is een stad in een stad, maar dan uit één stuk. Vrij kort na de oplevering raakte het gebouw beschadigd bij de Februariopstand in 1934, het eerste openlijke gewapende verzet van arbeiders tegen het fascisme. In de jaren 1950 is de schade gerepareerd. Het complex is gerenoveerd in 1989-1992 en ook een aantal jaren geleden. Anno 2025 zien wij dat het complex er goed bij staat. Veel van de binnenhoven zijn overdag toegankelijk, er zijn nog gemeenschappelijke voorzieningen en – ondanks de grootte van het complex – ervaar je de menselijke schaal.

Karl Marx Hof plattegrond
Karl Marx Hof plattegrond

De andere wijze waarop de levensstandaard werd verbeterd door middel van de woningbouw werd vormgegeven in tuindorpen, veelal geduid met het woord Gartenstadtsiedlung (letterlijk nederzetting). De grote vraag was natuurlijk of daarmee de grote aantallen woningen konden worden gerealiseerd waar behoefte aan was en dit bleek niet het geval. De tuinstad is gebaseerd op het model van Ebenezer Howard in 1898, waarmee de arbeidersbevolking uit de ellende van de industriële steden bevrijd moest worden. Een tuinstad was zelfvoorzienend en autonoom, een tuindorp is dat niet. We hebben hier eerder over geschreven in het artikel in JE reis ‘De strijd van twee broers …’. Voorbeelden in Wenen zijn de Siedlung Lockerwiese (1928-1932) in het 13e district en Gartenstadt Am Wienerberg (1932-1935) en Siedlung Am Tivoli (1927-1930). Dit laatste tuindorp leunt al meer op modernere architectuur, op de nieuwe stijl onder de naam het Nieuwe Bouwen.

In Wenen hield deze bouwstijl zich niet in de eerste plaats bezig met esthetische criteria of theoretische principes van ontwerp en vorm, maar richtte zich op de individuele behoeften van de bewoners. Het huis moest een doel op zich zijn en het huiselijk leven – de voornaamste activiteit van de moderne mens – met verschillende stijlen, leeftijden, kleuren en vormen faciliteren. Zoals men het uitdrukte: “Het moderne huis is datgene wat al het levende van onze tijd kan opnemen en toch een organisch geïntegreerde artistieke creatie blijft.” De Oostenrijkse Werkbund, vereniging van architecten en ontwerpers, werd in 1912 opgericht naar het voorbeeld van de Deutscher Werkbund, met als doel de samenwerking tussen kunst, ambacht en industrie te stimuleren. De nieuw opgerichte vereniging wilde niet alleen kostbare objecten creëren voor een maatschappelijke elite, maar streefde ernaar te garanderen dat “de minderbedeelden, de lagere middenklasse en de arbeidersklasse, zij het binnen zeer beperkte grenzen […] alleen producten aangeboden krijgen die vreugde schenken door hun geschiktheid voor gebruik en die de cultuur van het huiselijk leven bevorderen.” Tot de leden van deze vereniging van kunstenaars, industriëlen en ambachtslieden behoorden onder anderen Josef Hoffmann (1870-1956), Josef Frank (1885-1967) en Oskar Strnad (1879-1935). De Werkbund toonde aan wat mogelijk was in kleinschalige projecten die men modeltentoonstellingen noemde. Dit waren kleinschalige buurten waarbij verschillende architecten, tuin-, interieurarchitecten en meubelontwerpers samenwerkten. Een van de bekendste tentoonstellingen is de Weißenhofsiedlung in Stuttgart geweest. Josef Frank nam deel aan deze tentoonstelling en was de centrale figuur voor de Werkbundsiedlung in Wenen die op 4 juni 1932 werd geopend.

Josef Frank kreeg voor de modelwijk een locatie aangewezen aan de voet van de Roter Berg in het 13e district (Hietzing). De plek lag niet in het volle stadscentrum, maar in een toen nog weinig bebouwde buitenwijk. Een logische plek om te kunnen bouwen met licht, lucht en ruimte. Dat maakte het mogelijk om een ‘nieuw begin’ te maken zonder rekening te moeten houden met bestaande bebouwing of een strak stratenpatroon. Josef Frank ontwierp licht gebogen paden die van de bestaande straten — de Veitingergasse en de Jagdschlossgasse — naar het centrum van de wijk leidden, een kleine open ruimte. De architecten waren al gestart met het ontwerpen voor een andere locatie in de 10e district van Wenen, waardoor hij de woningen in het plan moest herpositioneren.

Werkbund Siedlung plattegrond
Werkbund Siedlung plattegrond

De huizen werden zo gepositioneerd dat ze de indruk wekten deel uit te maken van een modelwijk met verschillende typen en modellen, terwijl ze toch het karakter van een organische nederzetting behielden. De plattegrond van de huizen volgde een strikt patroon: hoewel bijna alle huizen georiënteerd waren op en toegang gaven tot de tuin, stonden de gebouwen strikt parallel aan de straten. Hoewel de huizen langs de Veitingergasse een lange rij vormen die op verschillende punten wordt onderbroken, zijn de overige huizen losser gepositioneerd. Het terrein is architectonisch gemarkeerd, door op het westelijke uiteinde het hoge huis van Oswald Haerdtl te plaatsen, dat de wijk als een wachttoren lijkt te bewaken. Aan de westelijke rand van het terrein, waar bezoekers in de zomer van 1932 de tentoonstelling betraden, stond de opvallend gearticuleerde duplex van Oskar Strnad. Helaas is die niet meer te bekijken omdat het tijdens de Tweede Wereldoorlog werd verwoest. Aan de centrale ruimte vormen de huizen van Gerrit Rietveld en Adolf Loos belangrijke ankerpunten.

Aan de Weense werkten in totaal 32 architecten en nog diverse interieurarchitecten mee. Zij ontwierpen samen 70 modelwoningen bestaande uit eengezinswoningen, dubbelwoningen en enkele kleine appartementen. Onder hen bevonden zich zowel Oostenrijkse architecten (zoals Josef Frank, Oskar Strnad, Adolf Loos, Oswald Haerdtl) als internationale architecten (zoals Gerrit Rietveld uit Nederland en Richard Neutra uit de VS). Je treft een informatiebord op de locatie aan met een plattegrond en wat beperkte informatie. Er is een erg goede site met een interactieve plattegrond waar je per huis kunt zien wie eraan heeft gewerkt, zowel aan de buiten- als de binnenkant. Dat helpt je ook als je ter plaatse bent, want de begroeiing – na bijna een eeuw – ontneemt je op vele plekken het zicht op de woningen.

Werkbund Siedlung
Werkbund Siedlung

Het ontwerp van de tuinen was bewust terughoudend en uniform gehouden om de toekomstige eigenaars vrijheid te geven. In plaats van hekken tussen de tuinen werden ligusterhagen aangeplant. Paden van zandstenen platen liepen van de voortuin naar de ingang van de huizen en van de achterzijde van het huis naar het einde van het perceel. Pergola’s van hout of ijzer werden geplaatst om beschutte zitplaatsen te creëren. In de loop der jaren moesten de huizen als het ware met de omliggende tuinen vergroeien en zo één geheel met de natuur vormen — een idee dat Oskar Strnad toelichtte aan de hand of het voorbeeld van de duplex die hij voor de wijk had ontworpen: “Zoals het gebouw zich naar het licht uitstrekt, zich openstelt voor de natuur, wind en weer afweert, zo vloeit de tuin over in de bebouwde vloer en projecteren de muren van de kamers zich naar buiten toe. Het is de harmonie van de natuur met de geometrische vormen die betekenis hebben gekregen, maar geworteld zijn in de aarde.” Je kunt nu constateren dat het groen de verbindende factor in deze buurt is.

Een van de meest opmerkelijkste studenten van Oskar Strnad was Margarete Schütte-Lihotsky (1897-2000) wier naam vaak werd afgekort tot haar initialen MSL. Zij was de enige vrouwelijke architect die woningen heeft gerealiseerd in de Werkbundsiedlung. Ze ontbreekt op de foto van de architecten van deze modelwijk, wat waarschijnlijk illustratief is voor de rol van de vrouwelijke architect in die tijd. Ze was geboren in Wenen in 1897, ten tijde van de dubbelmonarchie. Ze is opgegroeid in de wijk Margreten in een bourgeois liberale omgeving. Ze haalde in 1915 het toelatingsexamen voor de Kunstgewerbeschule (Hogeschool van de kunsten) een van de toonaangevende scholen van de schone kunsten in Europa. Als vrouw mocht zij zich niet inschrijven bij de Technische Universiteit.

In 1916/17 organiseerde de school een wedstrijd met als thema ‘een woonkeuken in de buitenwijken’. MSL won met haar ontwerp de Max Mauthner-prijs: een tweelaags arbeiderswoningcomplex rond een vierkante binnenplaats. Het was een van haar eerste architectonische werken en zij was de enige vrouwelijke deelnemer aan de wedstrijd. De appartementen - bestaande uit een voorhal met een wasbak, een toilet, twee slaapkamers, de woonkeuken en de wasruimte - waren tot in het kleinste detail zorgvuldig ontworpen. Ze rondde de studie in 1918 af en werkte voor een jaar als stagiaire bij Oskar Strnad. Zij heet de eerste vrouwelijke architect van Oostenrijk te zijn.

Zij heeft van nabij meegemaakt voor welke opgave Wenen stond na de Eerste Wereldoorlog en zij zag de grote werkeloosheid en woningnood in de stad. Er lag een grote opgave voor de architecten. Oskar Strnad gaf haar een belangrijke boodschap mee: “als je voor die mensen wilt bouwen, dan moet je leren hoe ze nu wonen.” In een van de documentaires die over haar leven zijn verschenen, beschrijft ze zelf dat ze geen idee had wat ze aan zou treffen. Het heeft haar voor de rest van haar leven getekend. In 1927 trouwde ze met de architect Wilhelm Schütte (1900-1968). Samen met hem en een groep architecten vertrok ze in 1930 naar Moskou om nieuwe woonsteden te ontwerpen om vervolgens in 1937 te vertrekken – via Parijs en Londen – naar Istanboel. In 1940, dus tijdens de oorlog, keerde ze terug naar Wenen om zich bij het verzet aan te sluiten. Vanwege haar communistische contacten werd ze gedurende de oorlog gevangengezet en pas na het einde van de oorlog bevrijd. Vanaf 1947 tot 1969 werkte zij als onafhankelijke architect in Wenen.

Je kunt alles waar deze architecte voor stond terugvinden in het appartement dat zij tot haar overlijden - ruim 30 jaar bewoonde. Het is gelegen aan de op de 6e verdieping. In haar testament heeft ze het appartement nagelaten aan de historica Ulrike Jenni. Ze trof het appartement aan zoals Grete, zoals ze werd genoemd, het vanaf 1969 had bewoond. Ulrike Jenni heeft een aantal aanpassingen gedaan in de keuken en de woonkamer. In 2020 overleed zij onverwacht. In april 2021 werd het complex een monument en daarmee kwamen er fondsen vrij voor de renovatie met als doel het appartement te behouden als monument. Het is nu in eigendom van de MSL Club. In 2024 is het merendeel van het appartement gerestaureerd en kan het twee keer in de week worden bezocht.

Plattegrond appartement Margarete Schütte-Lihotsky
Plattegrond appartement Margarete Schütte-Lihotsky

Waarom is dit appartement zo bijzonder? Alles wat Grete had geleerd in de sociale woningbouw en als communiste paste ze nu toe op het appartement dat zij voor zichzelf als weduwe en alleenstaande vrouw had ontworpen. In het appartement kun je diverse documentaires over haar zien. Daarin blijkt hoe tijdloos zij was. Haar principes zijn ons vandaag de dag niet vreemd, terwijl ze nog in de 19e eeuw was geboren! Ze had bijvoorbeeld minutieus onderzoek gedaan naar alle huishoudelijke taken, met een stopwatch erbij. Het was namelijk slim om daar zo weinig mogelijk tijd mee bezig te zijn en tijd over te houden om je te kunnen ontwikkelen. Niet voor niets was zij de grondlegger van de inbouwkeuken, destijds bekend onder de naam Frankfurt Kitchen, wat zij in het project Neues Frankfurt in 1926 realiseerde.

Op een oppervlakte van 55 m2 realiseerde zij een woning met ruimte om te wonen, te koken, te eten, te werken, te slapen en te wassen. De ruimten gaan naadloos in elkaar over. Over de hele breedte van het appartement is een terras oftewel daktuin gelegen, een groene recreatieruimte zoals zij het zelf noemde. Het is voorzien van een zonnescherm over de hele lengte en overal staan bloempotten zoals zij het ook had. Het huis zit vol slimme functionaliteiten. Bijvoorbeeld een tafeltje dat in de hal uitgeklapt kon worden om de boodschappentas op te zetten, de strijkplank die in de keuken op wordt geklapt, het doorgeefluik tussen keuken en woonkamer waardoor het eten direct op de eetkamertafel kon worden gezet. Haar bed zouden we een alkoof of slaapbank noemen en staat te midden van haar boeken. De originele textielbekleding van de wand achter en boven het bed/de bank is gerestaureerd en geeft deze ruimte een andere sfeer dan de kamer, ondanks het feit dat de ruimte niet echt afgescheiden is. Als je kijkt welke woningen we op dit moment in Nederland bouwen – vaak onder de naam studio’s – dan lijkt dat verrassend veel op dit appartement.

Appartement Margarete Schütte-Lihotsky
Appartement Margarete Schütte-Lihotsky

Wenen heeft nu ongeveer 2 miljoen inwoners. Ruim 60% van de Weense bevolking woont in sociale woningbouw. Anders dan in Nederland zijn dit heterogene complexen waar mensen verschillende inkomens hebben. De stad is eigenaar van ongeveer 220.000 woningen. Deze complexen zijn herkenbaar door de naam in de rode letters en het bouwjaar op de complexen. Daarnaast zijn er woningcorporaties en wooncoöperaties. Een woningcorporaties is een verhuurder van woningbouw, meestal sociale woningbouw. Dit systeem is in Nederland na de Woningwet van 1901 ontstaan. De eerste complexen werden opgericht door particulieren, later pakten ook gemeenten deze rol. Een wooncoöperatie is een samenwerkingsverband tussen particulieren, het is een vorm van collectief wonen waarbij de bewoners samen bepalen hoe zij willen wonen. Een wooncoöperatie heeft er als doel om blijvend te voorzien in betaalbare en kwalitatief goede huisvesting. De bewoners leggen kapitaal in en zijn mede-eigenaar van de coöperatieve vereniging. Zij huren de woningen en de voorzieningen van de vereniging tegen kostprijs. Woningen worden weer terug verkocht aan de vereniging. Samen besturen en controleren ze de coöperatieve vereniging. Er is geen winst, de woningen zijn geen handelswaar en de leden hebben zeggenschap over hun woningen. Ze investeren samen in de aankoop van een perceel, in de ontwikkeling van de woningen en het beheer over de woningen en het erf. Voorbeelden van dergelijke wooncoöperaties, Genossenschaften, tref je vooral aan in München, Zürich en Wenen.

In Nederland komen de wooncoöperaties maar moeizaam van de grond. Een traditionele hypotheek leent zich niet voor een dergelijke constructie en banken in ons land zijn nog altijd huiverig om een wooncoöperatie te financieren. Gemeenten behandelden wooncoöperaties als projectontwikkelaars met de bijbehorende grondprijzen en regels en niet als woningcorporaties, omdat er ook duurdere woningen in de projecten zitten. Maar eerlijk gezegd is de wooncoöperatie een van de antwoorden op de marktvraag van nu. Want mensen hebben invloed op hun woning en woningen blijven veel langer betaalbaar. Naar mijn mening had een verwijzing naar het Weense model dan ook niet moeten gaan over de ‘oude’ rol van de volkshuisvesters als gemeente en corporatie maar over de rol die wooncoöperaties zouden moeten krijgen in het oplossen van het huidige woningtekort in Nederland.

2026

Deel dit artikel