In Wenen hield deze bouwstijl zich niet in de eerste plaats bezig met esthetische criteria of theoretische principes van ontwerp en vorm, maar richtte zich op de individuele behoeften van de bewoners. Het huis moest een doel op zich zijn en het huiselijk leven – de voornaamste activiteit van de moderne mens – met verschillende stijlen, leeftijden, kleuren en vormen faciliteren. Zoals men het uitdrukte: “Het moderne huis is datgene wat al het levende van onze tijd kan opnemen en toch een organisch geïntegreerde artistieke creatie blijft.” De Oostenrijkse Werkbund, vereniging van architecten en ontwerpers, werd in 1912 opgericht naar het voorbeeld van de Deutscher Werkbund, met als doel de samenwerking tussen kunst, ambacht en industrie te stimuleren. De nieuw opgerichte vereniging wilde niet alleen kostbare objecten creëren voor een maatschappelijke elite, maar streefde ernaar te garanderen dat “de minderbedeelden, de lagere middenklasse en de arbeidersklasse, zij het binnen zeer beperkte grenzen […] alleen producten aangeboden krijgen die vreugde schenken door hun geschiktheid voor gebruik en die de cultuur van het huiselijk leven bevorderen.” Tot de leden van deze vereniging van kunstenaars, industriëlen en ambachtslieden behoorden onder anderen Josef Hoffmann (1870-1956), Josef Frank (1885-1967) en Oskar Strnad (1879-1935). De Werkbund toonde aan wat mogelijk was in kleinschalige projecten die men modeltentoonstellingen noemde. Dit waren kleinschalige buurten waarbij verschillende architecten, tuin-, interieurarchitecten en meubelontwerpers samenwerkten. Een van de bekendste tentoonstellingen is de Weißenhofsiedlung in Stuttgart geweest. Josef Frank nam deel aan deze tentoonstelling en was de centrale figuur voor de Werkbundsiedlung in Wenen die op 4 juni 1932 werd geopend.