Leren van Schokland
Schokland

Leren van Schokland


In november 2025 kwam het nieuws naar buiten: de gemeenteraad van Moerdijk ziet na een zorgvuldige afweging alleen kansen voor het uitbreiden van het industrieterrein als het dorp Moerdijk op termijn verdwijnt. Het Rijk en de provincie Noord-Brabant hebben het definitieve besluit uitgesteld tot de zomer van 2026, om meer onderzoek te doen naar de gevolgen. Hoe doe je dat, een dorp laten verdwijnen?

Nederland is een land dat gewend is aan groei. Krimp is daarmee een heel lastig en een niet-vanzelfsprekend verschijnsel. Wij weten niet zo goed hoe dat is, afscheid moeten nemen van waar je je thuis voelde als je er niet zelf voor hebt gekozen. In andere delen van de wereld komt dit vaker voor. De grote industriesteden in Engeland zijn in inwoneraantal de helft van wat ze in de hoogtijdagen tot aan de Tweede Wereldoorlog eeuw waren. Grote woonwijken werden dichtgeplankt en later gesloopt. In Australië zijn er dorpen in de streek van de goudwinning bewoond als de goudprijs voldoende hoog is en veranderen ze in spookdorpen als de goudprijs te ver zakt. In Nederland verdween in de 70’er jaren een beperkt aantal dorpen door de dijkverzwaring en de uitbreiding van het industrieterrein bij Delfzijl (Oterdum, Weiwerd en Heveskes). Er is wel een zeer tot de verbeelding sprekend voorbeeld van verdwenen dorpen in ons land en wel op maar dan moeten we terug naar het midden van de 19e eeuw.

Perspectief Schokland in Noordoostpolder
Perspectief Schokland in Noordoostpolder

Tot voor kort wisten niet veel mensen iets van Schokland, laat staan waar het lag. Ook al was het in 1995 tot Unesco Werelderfgoed uitgeroepen. De redengevende beschrijving van het erfgoed door Unesco luidt: “Op Schokland kan je sporen vinden van menselijke bewoning die teruggaan tot de prehistorie. Het symboliseert de heldhaftige, eeuwenoude strijd van Nederland tegen het opdringende water. Schokland is met zijn omgeving een uitstekend voorbeeld van de prehistorische en historische bewoning van een typisch waterrijk natuurgebied.”

De afgelopen jaren is er meer belangstelling voor de geschiedenis van Schokland. Dat komt vooral door het boek van Eva Vriend, ‘Het eiland van Anna’ dat in het voorjaar van 2024 uitkwam. Ik heb dankbaar gebruik gemaakt van de informatie uit dit boek. Einde van datzelfde jaar was er een tentoonstelling ‘De ziel van Schokland’ in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. Een jaar later kwam er een televisieserie met de titel ‘Heimwee naar Schokland’. Er is een website over Schokland, een database van Schokkers, vele boeken over uitgegeven en al in 1985 werd de Schokkervereniging opgericht. Deze belangstelling heeft alles te maken met het feit dat mensen meer willen weten van hun afkomst, te meer als dat een teloorgegaan eiland betreft. Zo komt de familie van Jan zijn moeder van Schokland. Zijn nicht Annette Diender komt zowel van moeders als van vaders kant van Schokland, haar achternaam is een echte Schokker naam. De vrouw op de poster van de tentoonstelling in Enkhuizen is dan ook een van haar voorouders, te weten Jannetje de Graaf (1840-1916). Zij trouwde in Kampen met Albert Klappe (1841-1933) die ook van Schokland kwam. We komen later op deze familie terug.

Kaart van de Zuiderzee
Kaart van de Zuiderzee

Schokland was lange tijd een eiland in de Zuiderzee, net als , en . Het lag dicht bij de monding van de IJssel bij Kampen. Het eiland vormde daarmee een belangrijk oriëntatiepunt voor de scheepvaart, zowel voor de handelsschepen van de VOC als voor de Zuiderzeevissers. Het eiland was in de 17e eeuw veel groter dan wat er vóór de ontruiming in 1859 van was overgebleven. Van oorsprong werd het eiland door boeren bewoond, maar het land werd steeds moeilijker om te bewerken. Het drassige land overstroomde regelmatig en met de stormen op de Zuiderzee kalfde het westelijke deel van het eiland steeds verder af. Wat over bleef was het hoogste deel van het eiland, een stuk land van ongeveer 5 km lang en maximaal 300 meter breed. Bij hoog water of stormvloed bleven drie terpen net boven water. Daarop waren woonbuurten gevestigd: Emmeloord in het noorden, Ens in het midden en Zuidert in het zuiden. De gronden tussen de terpen waren moerassig en nauwelijks begaanbaar. De buurtjes werden door een smalle loopplank achter een paalwering verbonden, de zogenaamde loopkistdam. Het was niet eenvoudig om elkaar op deze smalle loopplank te passeren. Maar daar hadden de eilandbewoners wat op gevonden: de Schokkerdans. Als ze elkaar tegenkwamen dan pakten ze elkaar stevig bij het middel vast en draaiden ze vervolgens om elkaar heen.

De haven van Schokland lag al sinds 1781 in het noorden bij Emmeloord. Het dorp was dan ook een vissersgemeenschap. In de Middelbuurt (of Molenbuurt) op Ens waren de openbare functies gevestigd, zoals de burgemeester, de veldwachter en de huisarts. In de Zuiderbuurt (Zuidert) woonden maar enkele gezinnen. Op het zuidelijkste puntje van het eiland lag het kerkhof en was er een lichtbaken.

Ontwikkeling van Schokland
Ontwikkeling van Schokland

Al in de 17e eeuw vormde de visvangst de belangrijkste inkomstenbron voor de Schokkers. In die tijd had Schokland een van de grootste vissersvloten van de Zuiderzee. Afhankelijk van het seizoen bevisten ze de Noordzee en de Zuiderzee. Van alle Zuiderzeevissers waagden de Schokkers zich het meest op de Noordzee. Ze visten in de zomermaanden op tong, schelvis en kabeljauw. In het najaar visten ze op de Zuiderzeeharing en paling. Zij hadden de beste schepen en namen het meeste risico. Rond 1800 waren de beste jaren voor de visserij op het eiland, Schokland had 80 schepen. Wellicht als gevolg van overbevissing nam de visvangst snel af met als gevolg dat de schippers hun boten niet meer konden onderhouden. Naast de visvangst waren de Schokkers ook actief in de vrachtvaart: vanuit de haven van Emmeloord voeren ze met platbodems (kagen) op regionale Zuiderzee routes, van Amsterdam tot Hamburg en via Zwolle naar Keulen.

Schokland, hoewel klein, was een afspiegeling van Nederland. Nauwelijks voor te stellen maar het noordelijke en het zuidelijke deel van het eiland waren bestuurlijk en kerkelijk gescheiden. Emmeloord hoorde bij de heerlijkheid Kuinre, in Overijssel op de grens met Friesland. De heren van Kuinre waren de dienstmannen van de bisschop van Utrecht en gedroegen zich als soeverein heerser. Ze hadden een aantal middeleeuwse burchten gesticht waarvan de resten (na de sloop tussen 1531-1535) bij het droogvallen van de Noordoostpolder aan het licht kwamen. Hun inkomsten kwamen uit tolheffing, strandvondsten, boetes, de belasting op bier en daarnaast door muntvervalsing. In 1476 kocht de rijke katholieke Utrechtse familie Zoudenbalch de rechten op Emmeloord. In 1614 verkochten de nazaten Emmeloord en Urk aan de katholieke jonkheer Johan van de Werve uit Antwerpen. Op zijn beurt verkocht hij in 1660 Emmeloord en Urk aan Amsterdam. Voor Amsterdam een mooie aanvulling op hun handelswegen omdat Urk op de scheepvaartroute naar het noorden lag en Emmeloord als een luwe halte fungeerde voor de binnenvaartschippers naar de IJssel.

De bestuurlijke verhoudingen waren sturend voor de geloofsrichtingen op het eiland. Emmeloord was door de eigenaren van huis uit katholiek; hier woonde ongeveer twee derde van de eilandbewoners. Toen in 1573 de watergeuzen van Willem van Oranje de Spaanse Vloot hadden verslagen, werd de uitoefening van het rooms-katholieke geloof in de Overijsselse steden verboden. Ens en de Zuiderbuurt werden dus protestant. Ens, waar ook de Zuiderbuurt bij hoorde, behoorde tot het gewest Overijssel.

Kerk van Schokland anno nu
Kerk van Schokland anno nu

Het eiland bleef gedurende zijn bestaan altijd vechten tegen het water. In de middeleeuwen beschermden aarden dijkjes met aangedrukt zeewier het eiland tegen de zee. Voorlopers van Rijkswaterstaat stelden houten zeeweringen voor waarvoor de palen uit Scandinavië werden geïmporteerd. In dubbele rijen werden de palen in de grond gezet en opgevuld met puin, bladriet of zeegras. Maar ook de paalworm, die met schepen uit Azië in het land gekomen, vormde een bedreiging doordat het hout en dus de zeewering verzwakt raakte. Amsterdam was het beu dat het eiland hen zoveel geld kostte door telkens de zeewering te herstellen. In 1791 gingen de Staten van Holland akkoord met een overname van het eiland door het Rijk. De verantwoordelijkheid voor de kustverdediging kwam bij de centrale overheid te liggen en in 1804 kreeg Schokland een stenen dijk. In 1806 werd de schout Eduard Seidel de eerste gezamenlijke burgemeester van Emmeloord, Ens en de Zuiderbuurt. Het vechten tegen het water bleef. In de nacht van 4 op 5 februari 1825 viel een storm en springtij samen met grote waterafvoeren op de rivieren. Schokland verdween geheel onder water. 13 mensen verdronken, 86 huizen werden onbewoonbaar, 26 huizen waren totaal weggespoeld. Emmeloord – dat lager ligt dan Ens – werd het meest getroffen.

Naar aanleiding van die storm werd er een grote liefdadigheidsactie op touw gezet. Koning Willem I schreef een nationale collecte uit en overal in het land doken initiatieven op. De opbrengst bedroeg uiteindelijk 2 miljoen gulden; 100.000 gulden ging naar Schokland. Rijkswaterstaat herstelde de stenen dijk en maakte deze lager en breder zodat die bij storm minder snel zou breken. De wederopbouw van het eiland kon van start. In 1830 telde Schokland n 675 bewoners (147 gezinnen). In Ens werden de huizen hersteld voor de ambtenaren (o.a. de opzichter van Rijkswaterstaat), de veldwachter, de onderwijzer en de dokter. Vanaf 1831 was het ook de zetel van burgemeester Gerrit Jan Gillot, terwijl het gemeentebestuur in Emmeloord zat. Gillot was de zoon van een hervormde predikant uit Ens.

In 1838 kwam de vernieuwde haven klaar. De nieuwgebouwde kerk op Ens opende in 1834 de deuren, de stenen Sint Michaelskerk in Emmeloord in 1842. De inkomsten uit de visserij namen af en de armoede op het eiland nam toe. In 1839 werden voor de bevordering van de werkgelegenheid twee weverijen geopend, een in het voormalige gemeentehuis op Emmeloord en een op Ens. Ze werden armenscholen genoemd. Maar ook zij waren geen lang leven beschoren. Door de concurrentie van de machinale textielfabrieken, moesten de weeflokalen in 1857 sluiten. Sinds 1841 was er een ‘Commissie van Regelmatigen Onderstand’ voor de verdeling van de bijstand voor behoeftigen waar veel Schokkers een beroep op deden. In 1854 constateerde de directeur van Domeinen in Zwolle dat Schokland waarschijnlijk de armste gemeente was in Nederland. De Zuiderbuurt was inmiddels geslonken tot een twaalftal woningen. Het beschermen van de bewoners woog niet meer op tegen de kosten, zo redeneerde Rijkswaterstaat en adviseerde het buurtschapje te ontruimen. De bewoners kregen een vergoeding als ze beloofden om hun woningen af te breken en mee te nemen. Ze verhuisden naar Ens en herstelden vervallen woningen met het materiaal van hun oude woningen.

Pastoor Herman ter Schouw kon het in 1857 niet meer langer aanzien nadat vier parochianen van honger waren omgekomen. Hij wendde zich tot kranten maar ook tot de minister van Binnenlandse Zaken, de commissaris van de Koning in Overijssel en de Tweede Kamer. Er moest iets gebeuren. In de eerste maanden van dat jaar had Jacob Ortt, ingenieur bij de afdeling Waterstaat in Kampen, een rapport over Schokland geschreven waarin hij een ontruiming voorstelde. Het was in het belang van de eilanders maar ook van het Rijk dat op de langere termijn minder geld kwijt zou zijn aan dijkversterkingen en loonkosten van de ambtenaren. Het voorstel werd aan Gedeputeerde Staten voorgelegd op 2 april 1857. Er werd onderscheid gemaakt tussen de rijken – die gestimuleerd moesten worden om te vertrekken – en de armen, voor wie het sowieso beter zou zijn te vertrekken. De bewoners kregen voorlopige contracten waarin ze zouden toestemden met de ontruimingsvergoeding en toezegden hun woning af te breken. Dat laatste werd opgenomen om zeker te weten dat de Schokkers niet terug zouden keren. De vergoeding voor de Schokkers werd vastgesteld op 2¼ maal de taxatiewaarde. In februari 1858 schreef de minister van Binnenlandse zaken aan de commissaris van de Koning dat de Schokkers van het eiland af moesten. Twee ambtenaren werden naar het eiland gestuurd om de actie voor te bereiden. In het najaar werd een speciale Kamercommissie ingesteld om zich te buigen over het vraagstuk van de ontruiming. Dit was voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis.

Verplaatsing van de Schokkers
Verplaatsing van de Schokkers

Met de ontruiming kwam een volgend probleem: waar moesten de Schokkers heen? Ze hadden geen goede reputatie. Voor een deel als gevolg van de landelijke acties waar de Schokkers als hulpbehoevend werden neergezet, maar ook door hun bijzondere leefomstandigheden op het eiland. Vele Schokkers maakten gebruik van de armenzorg; geen van de gemeenten op het vaste land wilde ze opvangen. Een meerderheid van de Kamer vond dat de Schokkers niet naar een en dezelfde plaats moesten gaan, uit vrees “hunne ondeugden behouden en aan de overige bewoners tot last worden. Onvermijdelijk zou dan een bijzonder politietoezigt over hen moeten worden ingesteld” (uit Het eiland van Anna). Men geloofde dat bij verspreiding van de inwoners het mogelijk was met hulp van maatschappelijke en godsdienstig onderwijs en het voorbeeld van de andere bewoners om de Schokkers op het goede pad te krijgen. Om de nieuwe locaties niet te belasten met armenzorg, konden de gemeenten die kosten bij het Rijk declareren. Op 18 november 1858 stemde de Tweede Kamer in met ‘Wetsontwerp houdende maatregelen tot ontruiming van het eiland Schokland.’ Een maand later stemde de Eerste Kamer er ook mee in en was de ontruiming een vastgesteld besluit.

De gemeenten aan de Zuiderzee leken de meest logische vestigingsplaatsen voor de Schokkers. Burgemeester Gillot en de commissaris van de Koning van Overijssel schreven de gemeenten aan. Monnickendam, Edam, Hoorn, Texel en Enkhuizen reageerden snel met een negatief antwoord. Medemblik was huiverig voor ‘dit soort van menschen’. In een anonieme brief in de krant werd dit nog nader toegelicht: “Ziet gij, er is zoo groot verschil tusschen het Noord-Hollandsche ras van menschen en dat der Schokkers.” Waar doet je dit – in de huidige tijd – aan denken? Ook in Kampen was de weerstand groot. De vrees was dat de huisjes van de Schokkers een ontsiering zouden zijn voor stadswandelingen. Daarnaast vond men de het verschil tussen de – overwegend katholieke en arme - Schokkers en de rijke gereformeerde Hanzestad erg groot.

Toch werd de grootste vestigingsplaats: er gingen ruim 470 naar deze stad. 129 Schokkers kwamen terecht in , een oostelijke Zuiderzeestad dat in de 17e eeuw het bestuurlijk centrum van Noord-Nederland was geweest. Zo’n 35, kwamen in -Edam terecht en ongeveer 25 protestantse Schokkers ging op Urk wonen. Wat weinig mensen weten is dat er een kleine groep in Nijverdal terechtkwam vanwege de werkgelegenheid in de textielindustrie.

De volksbuurt Brunnepe in Kampen dankt zijn naam aan het bruine water in het veenriviertje dat ten noorden va Kampen in de IJssel uitmondde: ‘brun apa’ in het Germaans. Het was een zelfstandige gemeenschap buiten de stadsmuren met een eigen haven en markt. De gemeente vond de enigszins afzijdige ligging van Brunnepe een voordeel voor de vestiging van de Schokkers. De Brunnepers kerkten bij de katholieke Buitenkerk. Deze kerk dateert van de 14e eeuw en lag oorspronkelijk buiten de stadsmuren, vandaar de naam. Hier komt Jan zijn familie in beeld. Jan zijn moeder is in Kampen geboren. Ze was de oudste dochter van de koster van de Buitenkerk. Jan zijn grootvader Martinus van Mierlo (1902-1973) was sigarenmaker, werkte bij de verzekeringsmaatschappij
‘De Nederlanden van 1870’ en was koster van de kerk van 1928-1968. Hij was getrouwd met Grada Grootjen (1903-1954). De ouders van Jan zijn grootvader kwamen van beide zijden van Schokland, de ouders van zijn diens vader waren Johanna Grootjen en Jacob Klappe. Jan zijn moeder stond regelmatig in de winkel bij de kerk, waar heiligenbeelden en rozenkransen werden verkocht. Daar trof ze Jan zijn vader in 1956. Die kwam vaker in Kampen omdat zijn zus met een man uit Kampen was getrouwd. De familie van Mierlo raakte via de kerk goed bekend met de nazaten van de Schokkers. De jongere zus van Jan zijn moeder, tanty Lidy, leerde haar man Ab Diender kennen. Zijn ouders waren Schokker nazaten, moeder Jannetje Klappe en vader Johannes Diender. Zijn opoe was Jans de Volendammer, waarschijnlijk de dochter van Jannetje de Graaf (van de poster van de tentoonstelling).

Schokker huizen in Brunnepe
Schokker huizen in Brunnepe

Tot de overstromingsramp in 1825 stonden er tachtig huisjes in Brunnepe, maar het gebied buiten de stadsmuur stroomde ook voor een deel onder. Het was vooral een boerendorp. Arnoldus Legebeke, een katholieke onderwijzer in Emmeloord op Schokland, had een rijke weduwe uit Kampen getrouwd. Zij had meerdere percelen en panden in de stad in haar bezit. Een van die panden lag midden in Brunnepe en had een grote achtertuin. Hij sloopte het pand en deelde de grond in 21 stukken. Die verkocht hij aan de Schokkers. In totaal kwamen daar 97 Schokkers te wonen. De woningen van de Schokkers kwamen aan twee straten te staan: Schokkersbuurt en Emmeloordstraat. Later kwamen er in de buurt meer straatnamen die naar Schokland verwezen. De huizen werden herbouwd met het materiaal dat de Schokkers van het eiland hadden meegenomen, maar de huizen werden niet op dezelfde manier herbouwd. De typisch houten puntgevel ontbrak en ze werden als twee- of driekappers neergezet. De muren waren niet van hout maar werden gemetseld. Het hout dat ze van het eiland hadden meegenomen, werden binnen in de huizen verwerkt.

Met de komst van de vissers van Schokland groeide de economie van Kampen. In 1867 kwam er een nieuwe haven (Buitenhaven) en dat bracht nieuwe werkgelegenheid met zich mee. Er kwamen vishandelaren, visrokerijen, nettenmakers en scheepsreparateurs. Rond 1900 waren er nog honderd vissersschepen. In 1955 werden de meeste Schokker huizen afgebroken. De Buitenhaven werd uiteindelijk de plek voor het Schokker monument, maar niet zonder slag of stoot. Een speciale werkgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de Schokkervereniging, de wijkvereniging Brunnepe en de Gemeente Kampen, nam 1989 het initiatief voor een monument ter herinnering aan het voormalige eiland Schokland en zijn bewoners. In 1991 werd het beeld onthuld in aanwezigheid van 375 Schokker nazaten. Het is een levensgroot, bronzen beeld van een Schokker echtpaar Harm en Aal Diender met kind. De houding en de gelaatsuitdrukking verraden het verdriet door het gedwongen verlaten van hun geliefde eiland. De jonge vissersvrouw is zwanger, een verwijzing dat er ondanks alle ellende van de ontruiming toch hoop is op een nieuw leven, een nieuwe toekomst. Het beeld is gemaakt door de in Enschede wonende Ierse beeldend kunstenaar Norman Burkett. Door de dijkverzwaring had de gemeente het beeld weggehaald en in depot staan. Twee jaar later werd het aan de IJsselkade geplaatst. Mede door het Schokkerprotest, met de naam ‘Misplaatst’, is de gemeente toch overstag gegaan en heeft het in 2018 een plek bij de Buitenhaven gekregen. Maar niet iedereen kan zich vinden in de kijkrichting van het beeld (niet naar het water of Brunnepe). Het idee was dat het stel met de rug naar de stad Kampen moest staan.

Schokker monument in Kampen
Schokker monument in Kampen

Je kunt je voorstellen dat de Schokkers zich redelijk snel thuis voelden in Brunnepe. Ze behoorden tot dezelfde sociaaleconomische klasse en katholieke geloof en woonden echt apart van de rijkere gereformeerde mensen in de stad. Daarnaast konden de vissers hun beroep blijven uitoefenen. In Vollenhove kwamen de Schokkers terecht in een overwegend Nederlands-hervormde gemeenschap. Net voor hun komst had de bisschop van Utrecht een parochie opgericht en je kunt je voorstellen dat de pastoor blij was met de komst van de Schokkers. Maar niet alleen de pastoor, ook het gemeentebestuur verwelkomde de nieuwe bewoners. De stad had in de eerste helft van de 19e eeuw de werkgelegenheid zien dalen en nu kwamen de vissers wat ook aanverwante bedrijven aantrok. In tegenstelling tot Brunnepe, kwamen de Schokkers overal in de stad te wonen. Vollenhove bleek uiteindelijk meer een tussenstation voor de Schokkers, velen zijn daarna naar elders verhuisd.

In Volendam kwamen de Schokkers tussen de katholieke vissers te wonen en gingen ze redelijk makkelijk op in de gemeenschap. In het boek ‘Het eiland van Anna’ wordt melding gemaakt van het feit dat er tussen 1880 en 1920 42 huwelijken plaatsvonden van Schokker nazaten en dat geen van hen trouwde met een nazaat van Schokland. Op Urk werd voor de Schokkers een aantal huizen gebouwd ten zuiden van de toenmalige haven en in het compacte oude centrum. Nu heet het de Schokkerbuurt of -wijk en is er een Schokkerstraat. Uiteindelijk integreerden de Schokkers redelijk makkelijk in deze vissersplaats; het waren vooral de protestantse Schokkers die naar Urk gingen.

Hoe verging het de Schokkers na de ontruiming en verhuizing? Duidelijk is dat de Schokkers het financieel zwaar hadden. De ontruimingsvergoedingen gingen op aan de bouw van de woningen en in de winter leverde de visserij minder geld op. Bij de gemeenten kon men een aanvraag doen naar het Schokkergeld van het Rijk (zodat het niet ten laste van de armenkas van de gemeente kwam). Wel goed om te weten dat op Schokland geboren vrouwen die getrouwd waren met een niet-Schokker geen recht hadden op deze uitkering; weduwevrouwen wel. In 1876 deden 61 Schokkers een beroep op het Schokkergeld en dertig jaar later 65 Schokkers. De gemeente Kampen declareerde tot 1940 de kosten bij het Rijk, zo lang als er geboren Schokkers leefden.

Er waren nog grote veranderingen op komst aan de Zuiderzee. In 1886 was de Zuiderzeevereniging door een aantal notabelen opgericht. Deze vereniging moest onderzoeken of drooglegging van de Zuiderzee haalbaar zou zijn. Ingenieur Cornelis Lely was een prominent lid en later voorzitter van deze vereniging. Hij ontwierp in 1891 zijn eerste plan voor de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. In 1913, toen Lely inmiddels Minister van Waterstaat was, werd inpoldering opgenomen in het regeringsprogramma. Dit ondanks protesten vanuit de visserij. De watersnood van 1916 gaf de doorslag en in 1918 jaar ging het parlement akkoord. In 1927 startte men met de bouw van de Afsluitdijk: 32,5 km lang van Den Oever in Noord-Holland naar Friesland. In 1932 was de Afsluitdijk klaar en veranderde de naam van de Zuiderzee in IJsselmeer. Dit was een dreun voor de visserij langs de voormalige Zuiderzee, een tweede dreun voor de Schokkers. Er kwam een Zuiderzeewet, waarin de Zuiderzeesteun was opgenomen: ‘bij de wet worden geregeld en vastgesteld de maatregelen ter tegemoetkoming aan de Zuiderzee-visschersbevolking, wegens de schade welke de afsluiting mocht berokkenen.’ Een schrale troost.

Door het aannemen van de Zuiderzeewet in 1918 werd ook besloten tot de aanleg en inpoldering van de IJsselmeerpolders, het ‘plan Lely’. In 1936 werd met de voorbereidende werkzaamheden gestart, en in 1937 werd de aanleg van 31,5 kilometer dijk aanbesteed. Op 3 oktober 1939 werd de dijk tussen Lemmer en Urk gesloten. Urk was voortaan geen eiland meer. Op 13 december 1940 werd de dijk aan de zuidkant van de polder nabij Schokkerhaven gesloten, de totale dijklengte was nu 54 km. Begin 1941 startte het droogmalen. De polder viel officieel droog op 9 september 1942. Nu was ook Schokland niet langer een eiland, het lag voortaan midden in de nieuwe polder. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog ging het werk aan de ontginning gewoon door, aangezien de aanwinst van extra landbouwgrond (met voedselopbrengsten) ook voor de bezetters een belangrijk doel was. Laat onverlet dat de polder ook het Nationaal Onderduikers Paradijs (N.O.P.) werd genoemd daar er ongeveer 20.000 onderduikers hebben gezeten.

Voor de nieuwe polder waren er verschillende namen in omloop; zo werd in 1944 de naam Urkerland officieel vastgelegd, net als de namen van de dorpen. In de oorlogstijd werden overigens ook wel Schokkerwaard, Urkerwaard en Nieuw Schokland genoemd als alternatieve naam voor de polder. In 1948 werd Noordoostpolder de officiële naam, afgekort tot NOP. Vanaf de instelling van de gemeente Noordoostpolder in 1962 tot de vorming van de provincie Flevoland in 1986, hoorde de polder bij de provincie Overijssel; voor die tijd viel het gebied bestuurlijk onder het Rijk. Schokland leverde de namen op voor de nieuwe dorpen Emmeloord en Ens. Op kaarten en luchtfoto’s is Schokland snel te herkennen omdat het zich niet voegt in de strakke structuur van wegen, waterlopen en polders van de Noordoostpolder. Nog altijd ligt het eiland hoger dan zijn omgeving en kun je je voorstellen dat het wuivende graan de zee is. Op 1 november 2008 kreeg de Noordoostpolder er een dorp bij (het nieuwste dorp van Nederland): Schokland. Het nieuwe dorp Schokland bestaat uit niet meer dan vier huishoudens, een museum, een restaurant en de woning van de lichtwachter.

Je kunt je afvragen of je voldoende recht doet aan de Schokker erfenis met het behoud van het stukje land en een aantal gebouwen. En zoals het verhaal over het huis dat Anna naliet aan het Zuiderzeemuseum (uit het boek van Eva Vriend) laat zien, zijn we ook niet echt zorgvuldig met een andere tastbare herinneringen van het eiland omgegaan. Nog ingewikkelder is de geschiedenis van de resten van de oude Schokker begraafplaats. Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft professor De Froe, hoogleraar antropobiologie en menselijke erfelijkheidsleer aan de Universiteit van Amsterdam, met studenten de botten opgegraven. De Froe hoopte met schedel- en botmeting meer te zeggen over de fysieke kenmerken van de Schokkers. Later werd duidelijk dat hij dit deed in het kader van een rassenonderzoek, wat in en na de Tweede Wereldoorlog in een ander licht kwam te staan. De botten van 147 skeletten bleven liggen bij het Anatomisch Laboratorium. De Schokkervereniging zette zich in voor een herbegrafenis. Toen er voldoende geld was voor het opknappen van het eiland, waaronder ook de kerk ruïne op de zuidpunt van het eiland, was de tijd rijp voor de herbegrafenis in 2003 bij deze kerk. Er was een dienst in de voormalige kerk op Ens; de viering werd geleid door een dominee en een pastoor.

In 2007 is bij het oude Emmeloord een monument voor de oud-bewoners van Schokland onthuld. Deze staat op de bestaande begraafplaats naast de plek van de voormalige Sint Michaelskerk uit 1842. Deze kerk werd bij de ontruiming afgebroken en in Ommen opgebouwd omdat het bisdom daar een nieuw bisdom wilde oprichten. Deze kerk werd in mei 1940 afgebroken. Het kunstwerk van Marianne Meinema en Annet Bult is een horizontaal kader van staal geplaatst op ijle verticale spijlen in een schelpenpad. Kruislings tegenover elkaar zijn er vier bankjes opgenomen. Uit het kader zijn de namen van de hier begraven Schokkers gestanst, je treft de meest voorkomende achternamen in Emmeloord aan: onder andere Diender, Grootjen, Klappe, Kwakman. De namen zijn te lezen als schaduwen op de grond. De locatie heeft ook de bestemming gekregen van strooiveld voor de as van overleden Schokker nazaten. Er worden nog regelmatig gebruik van gemaakt.

Gibellina
Gibellina

Er zijn natuurlijk verschillende manieren om met het afscheid van de plek waar je je thuis voelde vorm te geven. Een bijzonder voorbeeld is Gibellina op Sicilië. In januari 1968 vond daar een aardbeving plaats die het leven kostte aan 251 mensen en vele mensen dakloos maakte. De schade was zo groot dat de herbouw van de kleine stad nooit werd overwogen. De burgemeester koos ervoor om enkele kilometers verder een nieuwe stad te bouwen: Gibellina Nuova. Hij vroeg daarbij hulp aan kunstenaars en architecten. Er werd een nieuw museum voor moderne kunst gebouwd en vele kunstenaars boden om niet kunst aan. Ook werd er een nieuwe stadskerk gebouwd, Chiesa Madre (1985-2010) en een theater met congrescentrum (1976). Helaas is de nieuwe stad in verval geraakt, maar je vindt nog altijd een zestigtal kunstwerken in de openbare ruimte. Het meest indrukwekkende kunstwerk vind je op de plek van de oude stad, Gibellina Vecchia. Daar tref je Grande Cretto of Cretto di Burri genoemd naar de kunstenaar Alberto Burri (1915 – 1995). Hij heeft de herinnering aan de stad letterlijk in beton gegoten. Het oude stratenpatroon is behouden in een korst van puin en beton; je kunt lopen door de barsten (cretto). Het kunstwerk is 80.000 m2 groot.

Gibellina
Gibellina

Of Grande Cretto de bewoners van de oude stad tot troost biedt, of nog iets bijdraagt aan de herinnering van je thuis voelen of ‘belonging’ zoals het in het Engels zo mooi wordt genoemd, is niet duidelijk. Maar er is veel moeite getroost, door veel mensen, om hier aandacht voor te vragen en het een plek te geven. Wat wel duidelijk is aan het verhaal van de Schokkers, is dat je het afscheid niet licht mag opvatten. Het vergt veel aandacht en is niet alleen de verantwoordelijkheid van de mensen uit het ontruimde oord. Financiële, fysieke en emotionele ondersteuning van buiten is noodzakelijk en creativiteit kan helpen om het dragelijker te maken. Onze gedachten gaan terug naar Moerdijk en hopen dat het dorp en zijn inwoners de tijd nemen om - na de schok van de melding - de ruimte pakken om aan hun toekomst te werken.

2026

Deel dit artikel