Koningssteden in Sleeswijk-Holstein (DL)
Glückstadt en Friedrichstadt

Koningssteden in Sleeswijk-Holstein (DL)


Twee steden op ongeveer 100 km van elkaar in de deelstaat Sleeswijk-Holstein in Noord Duitsland zijn begin 17e eeuw gesticht door leden van de koninklijke familie in Denemarken. Toch lijken niet op elkaar, ze hebben ieder een eigen geschiedenis. Alvorens iets over – wat we noemen – deze ‘koningssteden’ in deze Duitse deelstaat te vertellen, is het goed iets meer van de geschiedenis van deze deelstaat te weten. Dat geldt zeker voor de roerige geschiedenis van Sleeswijk-Holstein. 

De hertogdommen Sleeswijk en Holstein kwamen in 1460 toe aan koning Christian I van Denemarken. Nadien werden de gebieden opgedeeld en uiteindelijk in 1773 weer verenigd onder Deens kroon. Sleeswijk was vrijwel geheel Deenstalig maar verduitste wel in het zuidelijk deel. Holstein werd in 1815 deel van de Duitse Bond, maar dat ging niet zonder slag of stoot. Duitse nationalisten wilden het deels door Duitsers bewoonde Sleeswijk met het geheel Duitse Holstein tot één staat verenigen. Maar op hetzelfde moment wilden de Deense nationalisten het historisch Deens Sleeswijk nauwer aan de kroon verbinden. Beide hertogdommen werden in een personele unie met het koninkrijk Denemarken geregeerd, terwijl Holstein sinds 1815, conform de besluiten op het Congres van Wenen, tevens tot de Duitse Bond behoorde. Sleeswijk was dus eigenlijk een leengebied in het koninkrijk Denemarken, terwijl Holstein een Duits leengebied was. Een complexe constructie zou je kunnen zeggen, maar we zijn er nog niet. 

In 1848 verklaarde een groep Duitsgezinden, gesteund door Pruisen, Sleeswijk-Holstein onafhankelijk van Denemarken. Hierop brak de Eerste Duits-Deense Oorlog uit, die eindigde met een Deense overwinning tegen Pruisen. In 1864 volgde de Tweede Duits-Deense Oorlog, waarin Pruisen en Oostenrijk zegevierden. Denemarken moest Sleeswijk, Holstein en Lauenburg bij de Vrede van Wenen  in 1864 aan Pruisen en aan Oostenrijk afstaan. Na de Oostenrijks-Pruisische oorlog werd tijdens de Vrede van Praag in 1866 bepaald dat beide hertogdommen aan Pruisen toekwamen die ze verenigde tot de provincie Sleeswijk-Holstein. In 1876 werd het hertogdom Lauenberg hieraan toegevoegd. Na de Eerste Wereldoorlog werd Europa wederom ‘reshuffled’. Volgens het Verdrag van Versailles uit 1919 werd na de Duitse nederlaag aan de inwoners van Noord-Sleeswijk door middel van een referendum gevraagd bij welk land ze wilden horen. In het noordelijk deel van Sleeswijk koos een meerderheid om zich weer bij Denemarken aan te sluiten, de rest bleef bij Duitsland. Na de Tweede Wereldoorlog werd een klein deel van Sleeswijk-Holstein bij Mecklenburg ingedeeld en de provincie maakte toen deel uit van de Britse bezettingszone. In 1946 werd het resterend gebied de deelstaat Sleeswijk-Holstein die drie jaar later deel uitmaakt van de Bondsrepubliek Duitsland. Kortom: in dit gebied tref je zowel Duitse (Pruisische) als Deens invloeden aan uit verschillende perioden. 

Vestingstad Gluckstadt
Vestingstad Gluckstadt

In 1617 wil koning Christian IV van Denemarken een stad stichten op de plek waar de Rijn in de Elbe stroomt. ‘Dat schall glücken und dat mutt glücken und dan schall se ook Glückstadt heeten’ schijnt hij te hebben gezegd. Het was een moerassig en sompig gebied, het was geen eenvoudige opgave. De stad werd vormgegeven als zogenaamde polygonale radiaalstad. is het enige voorbeeld van een dergelijke stad uit die periode in het Duitssprekend gebied. Het is gebaseerd op de opzet van de vestingsbouwmeester Daniel Specklin uit Straatsburg. Vanuit een kruisvorm en een ideale verdedigingsopzet werd de polygonale structuur ontwikkeld. Waarschijnlijk is het in Glückstadt de stadsbouwmeester Georg Ginter Kröl geweest die het concept verder heeft uitgewerkt en aangepast. Zo komen vanuit het marktplein de radialen uit in de uitstekende bastions en de verbindende vestingwerken. Vanwege het realiseren van een haven werden die bastions meer naar buiten verplaatst en het stratenpatroon aangepast. In 1644, de bloeiperiode van de stad, stonden er 550 huizen en woonden er ongeveer 5000 mensen (960 huishoudens). Het werd de lievelingsstad van Christian IV en een van de grootste steden van het Deense Rijk op dat moment. Het was dan ook gedurende 200 jaar het zogenaamde ‘Landeshauptstadt’.

In de winter van 1813-1814, tijdens de Napoleontische oorlog, werd Glückstadt aangevallen door het anti-napoleontische verenigde leger van Zweden, Pruisen en Engeland. Door de ontwikkeling van de artillerie was het nu mogelijk over de vestingwerken heen de huizen in de stad onder vuur te nemen. Glückstadt gaf zich over en de vestingen moesten worden afgebroken. Al vrij snel leidde dat tot een herinrichting van de wallen tot een stadspark aan de noordoostzijde. In de eerste helft van de 19e eeuw werden twee bassins aangelegd. In de daaropvolgende jaren werden exotische bomen geplant en uitzichttorens gebouwd die leiden tot het park dat je nu kunt ervaren en dat door veel inwoners wordt gebruikt. 

Een grote aanpassing voor de stad was de komst van de trein. De Gluckstadt Elmshorner Eisenbahn Gesellschaft begon kort na ingebruikname van het traject Hamburg-Altona – Kiel  (in 1845) met de bouw van het traject van Elmshorn (richting Hamburg) naar het havenstation Glückstadt. Twaalf jaar later was de spoorverlenging van het traject van Elmshorn naar Glückstadt een feit en werd een nieuw traject aangelegd tussen Glückstad tot de rivier Stör bij Itzehoe. Uiteindelijk komt de lijn uit in Westerland en het eiland Sylt. De lijn heette in de volksmond de ‘Marschbaan’. Dit is afgeleid van het verdronken land en de geestgronden die kenmerkend zijn voor dit gebied. Tussen spoor en stadspark werd een rechte brede staat aangelegd waardoor het park is afgescheiden van de binnenstad. 

Een stad met een haven aan de Elbe was strategisch van belang tijdens de vele schermutselingen en oorlogen; het ligt tenslotte op betrekkelijk korte afstand van de Noordzee. Van eind 19e eeuw tot ongeveer 1930 heeft de haringvisserij hier goed gefunctioneerd. De haringen werden aan boord van de schepen gekaakt, gezouten en in vaten gedaan. De vaten werden in de haven geopend, de haringen naar grootte en kwaliteit gesorteerd en verder gedistribueerd. Door de concurrentie met Schotland, Noorwegen en Engeland – met havens dichter aan zee – was het uiteindelijk nauwelijks meer rendabel. Na de Tweede Wereldoorlog bleef de haringindustrie nog even in stand om in 1976 definitief de deuren te sluiten. Er is nog altijd een jaarlijkse haringweek om de oude traditie te eren.  

Gluckstadt
Gluckstadt

Met deze kennis in het achterhoofd is het erg leuk om te voet de stad te verkennen. De mooiste manier op de stad te bereiken is om de ‘Elbfähre’ te nemen vanuit Wischhafen in Nedersaksen. Wij zijn fan van veerboten. Door de bouw van bruggen zijn veel veerboten niet meer nodig. Hier moet je anders via Hamburg gaan rijden en dat is echt geen lol als  Glückstadt je bestemming is. Tijdens de vakantieperiode vaart de pont heel frequent, hoewel de wachttijden ook tot 1½ uur kunnen oplopen. Met een grote slinger om de zandplaat Rhinplate kom je dan bij de ‘Ausserhafen’ van Glückstadt uit; deze ligt noordelijker dan de stadshaven. De Elbe is hier al 3 km breed en blijft zo tot zee. Via de straat Am Neuendeich rijd je dan de stad binnen. De radiale opbouw is hier het – in het noordoostelijk deel van de stad – het beste te ervaren. De markt is onmiskenbaar het middelpunt van de stad. Het wordt begrensd door een rechte waterpartij in het groen, gelegen tussen de straten ‘am Fleth’. De huidige vormgeving van het water, met houten beschoeiingen in een groene zoom, dateren van half jaren ’80 toen de stad werd opgeknapt om meer toeristen te kunnen ontvangen. De uitstraling past bij de mode van die tijd met cirkelvormen en bogen. De wijze waarop de wandelpaden als een halfrond soort van vestingwerk om de bomen zijn gemaakt, is daar een mooi voorbeeld van.  

Markt Glückstadt
Markt Glückstadt

De Evangelisch-Lutherse kerk is het oudste gebouw dat nu nog in de stad staat. Het is in 1618-1623 gebouwd. De kruisvorm is niet afgemaakt, er is maar één transept gebouwd en dat heeft een vreemde verhouding tot het schip (is groot en vooral breed). In 1648 stortte tijdens een orkaan de toren van de kerk in en werd ze in 1650-1651 weer opgebouwd. De toren heeft daardoor een eigenaardig vorm gekregen. Het oogt of er een te smalle spits op een veel grotere basement is geplaatst. Dit effect wordt nog versterkt door het kleurverschil in de huidige staat: groene geoxideerde koper aan de onderzijde en een koperkleurige bovenzijde. Doordat de bebouwing in de stad laag is, torent de kerk letterlijk boven de stad uit. Bij binnenkomst in de kerk is de asymmetrie een van de zaken die direct opvalt. Het transept is bij het schip getrokken door de kerkbanken aaneengesloten in dezelfde richting als in het schip door te zetten. De kansel is zodanig geplaatst dat bezoekers in zowel het schip als de zijbeuk er goed zicht op hebben. De plaatsing van de balkons versterkt de asymmetrie omdat deze aan de twee gevels zijn geplaatst, één met en één zonder transept. Er was blijkbaar behoefte aan veel zitplaatsen want er zijn ook balkons aan de westzijde geplaatst: in het schip vooral vóór het orgel maar ook in de zijbeuk waarbij de vloer van het balkon voor de ramen loopt. In het koor is er aan één zijde een balkon geplaatst (zuidzijde). Bijzonder is ook de plaatsing van wat wij de herenbank noemen: onder het balkon aan de zuidzijde. Zo lijkt het niet helemaal tot zijn recht te komen, maar het is wel in de nabijheid van de kansel. Alle balkons zijn versierd met schilderingen in cassettes. De doopvont uit 1641 is bijzonder door de houten geschilderde omhulsel van het vont in acht delen met een uitbundig versierde ‘deksel’ dat erboven hangt. Het altaar heeft ook deze achtdeling en is rijkelijk versierd met marmergeschilderde zuilen en goudgekleurde beelden. 

Het andere meest opvallende gebouw aan de markt is het raadhuis. Het oorspronkelijke raadhuis dateert van 1642-1643. Hoewel het een stenen gebouw was, moest het wegens bouwvalligheid in 1872 worden afgebroken. Bij de nieuwbouw is de oorspronkelijke gevel teruggebouwd. De renaissance details als raam- en deuromlijstingen ogen nu strak tegen de gladde oranjerode bakstenen. Het is een symmetrisch gebouw met onderdoorgangen aan beide uiteinden. De symmetrie komt wat lastig tot zijn recht zo tegen de hoek van de markt waarbij de radialen aansluiten op de onderdoorgangen. 

Het voert te ver om alle bijzondere gebouwen van de stad hier te beschrijven. Een drietal gebouwen willen we nog even onder de aandacht brengen die bijdragen aan de geschiedenis van deze stad.

In de haven, naast het niet meer in gebruik zijnde spoor, staat een klein gebouw van twee bouwlagen en een pannendak met daaronder donker vakwerk met witte gemetselde vullingen. Het heet ‘Das königliche Brückenhaus’. Het huis werd tegelijk met de koninklijke ophaalbrug over de haven gebouwd in 1635. Deze maakte een verbinding mogelijk tussen het koninklijke slot ‘Glücksburg’ en de koninklijke tuin. Helaas is van beide niets meer terug te vinden, maar dit past bij de lievelingsstad van koning Christian IV. De brug werd begin 19e eeuw afgebroken en het bruggenhuis verkocht. In 1840 werd een huis er tegenaan gebouwd dat nu door een grote boom bijna wordt weggeduwd. Het pand is nog altijd privébezit en is helaas niet te bezoeken.

Er staat nog een groot magazijngebouw in de stad ‘Am Proviantgraben’. Het is bijna zo lang als de straat heeft drie verdiepingen en een kap. Voor deze stad een pand met een grote schaal. Het is aan de westrand van de stad gelegen, niet direct aan de haven. Helaas is het terrein tussen gebouw en dijk op vrij fantasieloze wijze ingevuld met appartementsgebouwen die niets doen met hun omgeving. Het magazijngebouw heeft tijdelijk gebruik gekend, maar stond leeg ten tijde van ons bezoek. De dijk, die qua hoogte doet denken aan de verhoogde dijken in Nederland, is overigens een binnendijk. De klim naar boven leverde helaas geen mooie blik op de Elbe op maar op een stuk land met onduidelijke bestemming. 

Passend binnen de hoofdstructuur van de oude binnenstad is in 1985 door de corporatie Wobau een nieuw woningbouwproject gerealiseerd. Dit is een van de weinig grootschalige ontwikkelingen binnen de oude stad. Een plaquette vertelt het verhaal van deze plek. Hier was in een bestaand gebouw van 1933 tot 1945 een zogenaamde ‘Korrektionsanstalt’ gehuisvest. Hier werden tegenstanders van het nazi-regime op inhumane wijze gevangengehouden. In 1979-1980 besloot men het gebouw te slopen en is er woningbouw voor in de plaats gekomen. Het gebouw ademt dezelfde stijl en tijdsgeest als de waterpartij in de stad, met postmoderne elementen als rondingen en kolommen. De woningen zijn om een parkeerhof gebouwd. De woningen, eenlaags of tweelaags met een dak, passen goed in de schaal van de stad, hoewel de projectgrootte van het project erg van de rest van de stad afwijkt. 

Naast deze gebouwen troffen we tijdens een wandeling vanaf het oude station (nu onderdeel van het spoorwegmuseu), over de Bahnhofstrasse richting stadspark over de Pentzstrasse, een bijzonderheid: de een oude joodse begraafplaats. De grafstenen dateren allemaal uit de 19e eeuw en zijn liggend in grind gelegd. Dit is niet gebruikelijk bij de joodse begraafplaatsen die wij verder in Europa kennen waar de grafstenen rechtop staan en steentjes erop kunnen worden geplaatst. Ze zijn versierd zoals we dat bij christelijke graven uit die periode kennen, met zandlopers en doodshoofden. Ook is er een oud graf uit 1705 met een familiewapen. 

Glückstadt is een aangename kleine stad met ongeveer 11.000 inwoners. Veel oude panden zijn voorzien van een bord met nadere informatie en op een aantal plekken in de stad zijn grotere informatieborden geplaatst. We zijn een van de weinige toeristen die hier rondlopen. Dat is wel even anders dan in de andere ‘koningsstad’ die we hierna bezoeken:

Friederichtstadt
Friederichtstadt

Nog geen 100 km noordwaarts heeft een neef van koning Christian IV, hertog Frederik III van Sleeswijk-Holstein-Gottorp in 1621 een start gemaakt met de stichting van een stad. Het idee dat achter deze stichting zat, was dat deze stad een rol zou kunnen spelen voor Denemarken in de handel met Spanje en zijn koloniën en Rusland. Hij kende het Nederlandse volk en wist dat zij hun sporen hadden verdiend in de internationale handel. Hoe kon hij de stad aantrekkelijk maken voor hen? Dat deed hij door die mensen die op dat moment in Nederland zich een tweederangsburger voelden, een thuis te bieden. Hij had vooral mensen op het oog die vanwege het geloof buiten Nederland wilden wonen. De groepen die hij aan wist te trekken waren de remonstranten, rooms-katholieken, mennonieten en joden. Door Nederlands als bestuurstaal in te stellen, andere privileges en godsdienstvrijheid te beloven, lukte het hem om deze mensen naar de stad te trekken. 

Dat de stad gesticht is, is makkelijk af te lezen in het rechthoekig stratenplan. De locatie die Frederik III uitkoos voor deze stad is waar de rivier de Treene in de rivier Eider stroomt. Aan de noordkant van de stad is de Treene breed en vormt het een soort meer. Het sluit aan op een brede waterloop aan de westzijde en een smalle waterloop aan de oostzijde van de stad. Daartussen is het stadje, met 2.500 inwoners, gelegen. Je zou een parallel kunnen zien met Glückstadt in de deling van de stad in tweeën. Ook hier een kunstmatige waterweg die de stadsdelen scheidt, nu gelegen in brede groenstrook. Het heet ‘Mittelburggraben’, maar je ziet het woord gracht of kanaal ook op deze plekken terug. 

Markt Friedrichstadt
Markt Friedrichstadt

Ook in Friederichstadt ligt de markt aan deze middenstrook, maar nu aan de zuidzijde. Het zuidelijk deel van de stad is het oudste en dichtbebouwde deel van de stad. De markt is opgesplitst in twee delen, een groen deel - park - en een steenachtig deel. Op het laatste werd vroeger de paardenmarkt gehouden en dat is nog altijd te zien aan de hekwerken met ijzeren stangen die er nog staan, bedoeld om de paarden aan vast te binden. Het meest opvallend aan de markt is de gevel aan de westzijde. Je waant je bijna in Nederland met de trapgevels, soms vijf tot zes verdiepingen hoog. Wat helemaal niet Nederlands is, is dat de gevels wit, zachtgeel en blauw zijn geschilderd. De schijn bedriegt nog iets meer dan je denkt. Alleen de onderste verdiepingen zijn uit de stichtingsperiode, de trapgevels zijn voor een deel pas in de 20e eeuw toegevoegd. Het raadhuis aan de zuidzijde van de markt is nooit als zodanig gebouwd. Nadat gebouwen uit eind 17e eeuw waren ingestort na de vijfdaagse oorlog in 1850 liet de heer Windahl een tweelaagse hotel bouwen, dat in 1877 naar achteren werd uitgebouwd. In 1910 kocht de stad de panden aan om daar het raadhuis in onder te brengen. Daarvoor werd aan bouwmeester August Eggers gevraagd om een gevel in nieuw representatieve stijl te maken, daarmee werd toen bedoeld: de Hollandse renaissancestijl. In 1985 werd het gebouw uitgebreid en gemoderniseerd. Daarnaast staat het ‘Altes Amtsgericht’ dat eerst als raadhuis functioneerde tot het in 1910 gerechtsgebouw werd. Die functie verloor het begin jaren ’70 en sinds 1978 is er een restaurant in het pand gevestigd. 

De godsdienstvrijheid is een van de fundamenten van de stad en dat is de reden dat er in een dergelijk kleine stad vier kerken staan. Er is één kerk in het noordelijk deel, St. Christopher kerk. De kerk staat achter op de kavel, het vrijwel lege kerkhof ligt ervoor. Dit is de evangelisch-lutherse kerk waarvan de bouw startte in 1643 met financiële ondersteuning van de stichter van de stad. In 1649 was de kerk gereed. De muren zijn gemaakt van Nederlandse kloostermoppen. Het is een eenvoudige zaalkerk. De toren in zijn huidige vorm dateert van 1762. De entreedeur heeft een sierlijke omlijsting en er prijkt een groot bord met wapens erboven waarin de stichter wordt bedankt voor zijn bijdrage om de bouw mogelijk te maken. Een klok, de doopvont en het altaar (onbeschilderd hout) komen uit kerken uit Nordstrand die tijdens de grote vloed van 1643 zijn verwoest. Zoals in vele kerken, hangen er ook in deze kerken bijzondere rouwborden om de rijke gelovigen te eren. Voor de kerk staat een opvallend grafmonument waarin de Hollandse geschiedenis weer even zichtbaar is. Het zijn de monumenten voor I.C. Biernatzki (1795-1840) en zijn vrouw Henriette Biernatzki geb. de Vries (1798-1888). 

De kerk waarvoor je even moet speuren is de mennonietenkerk. Die ligt ongeveer tegenover de St. Christopher kerk aan de andere zijde van de Mittelburgwal en staat achter een van de meest indrukwekkende gebouwen in de stad, de Oude Munt. Dit gebouw is een mooi voorbeeld van Hollandse renaissance. Het was oorspronkelijk een magazijn uit 1626. Het metselwerk is in verschillende verbanden toegepast. De combinatie van bogen, deuren en ramen met kleine ramen en een bijzondere vorm van gemetselde latei op de een-na-bovenste verdieping geeft het gebouw een wat speels uiterlijk. In dit gebouw is nu het stadsmuseum gevestigd. Als je daar naar binnen gaat, dan kun je ook een blik werpen in de Mennonietenkerk. Ook kun je de kerk goed bekijken via het achtergelegen kerkhof. De kerk is een klein gebouw maar is wel hoog, twee verdiepingen met een steile kap. Deze geloofsgemeenschap is nu de kleinste van de stad en kerkt elders. Sinds 1946 wordt de kerk door de Deense Volkskerk gebruikt. 

Aan de zuidzijde van de stad is de katholieke kerk St. Knud gelegen, aan Am Fürstenburgwall. Jan, Rooms-Katholiek opgevoed, is toch wel teleurgesteld als we voor dit gebouw staan. De verwachtingen waren hoog gespannen hoe de rooms-katholieken hun kerk in de 17e eeuw hier zouden hebben gebouwd. We lezen op het informatiebord dat de eerste katholieke kapel in 1649 op een andere plek was gebouwd in het hertogdom. Het vormde het middelpunt voor alle katholieken in deze omgeving en daar werden de priesters begraven. Latere priesters zijn op de begraafplaats van de Remonstranten bijgezet. Op deze plek werd in 1846 een nieuwe kerk gebouwd door de architect Friedrich Hetsch uit Kopenhagen. Door bouwfouten en de oorlog in 1850 moest het al snel worden afgebroken. De bouw van de huidige kerk is in 1853 gestart en het werd het jaar erop door de pastoor ingezegend. Het is een klein gebouw in gele steen; een zaalkerk met een zadeldak. De enige opening in de voorgevel is de voordeur, er zijn alleen schijnvensters in de gevel. De parochie werd in 1935 naar Husum verplaats en zo werd St. Knud wat in het Duits zo mooi ‘Filialkirche’ heet. Van binnen valt de kerk mee. Oude kerkbanken geven de ruimte sfeer en dateren uit 1760. Ze staan aan weerszijden van het gangpad en de wit geschilderde banken zijn versierd met grijze en gouden krullen. Als enige kerk is deze versierd met beelden en met gekleurde ramen. Er is een klein balkon – voorzien van Latijnse spreuken – voor een bescheiden orgel.

De meest indrukwekkende kerk hebben we voor het laatst bewaard: de remonstrantenkerk op de hoek van Kirchenstrasse en Prinzessstrasse. Het is de enige kerk in zijn soort buiten Nederland. Deze vrijzinnige geloofsrichting ontstond begin 17e eeuw, zette zich in Nederland af tegen Calvijn en week daarom uit naar deze stad. In 1624 heeft de dochter van de stadhouder de eerste steen van de kerk gelegd; hoogstwaarschijnlijk was het ook een zaalkerk. Maar ook hier heeft de kerk de oorlogsactiviteiten van 1850 niet overleefd. Wat we nu zien, is de kerk die in 1852-1854 is gebouwd. Het is een kleine zaalkerk in een roze kleur, maar de kerk oogt groot door de toren die twee keer zo hoog is als het schip. Het is daarmee ook een van de hoogste gebouwen van de stad. De toren kent drie delen, het tweede deel is voorzien van een balkon, de top is een groen koperen spits. In het oog springend is de tekst op de toren:

Gebouwd in 1624, door de stichters deze stad, uitgewekenen uit Holland om der vrye godsdienst wille, genaamd remonstranten. Vernield door het oorlogsvuur, 5 october 1850. Herbouwd 1854. GOD GEVE HIER VREDE. HEM ZY DE EER’.

Conform de gebruiken bij de remonstranten is er geen altaar. In het koor staat een combinatie van herenbanken en een kansel als één meubel. Witgeschilderde kerkbanken staan aan weerszijden van het middenpad. Boven de entreedeur een balkon met orgel, alles wit of offwhite geschilderd. In de hal een bord met de volgende titel: ‘De Kerkdienst hadt waargenomen:‘ waarna veel Nederlandse namen volgen ook na 1769 tot heden (het tweede bord) zoals Van Rhijn, van Vollenhoven, Mensinga, de Vries, Trip-Kleinstarink, Bouman. Achter de kerk ligt de begraafplaats. Daar staan nog enkele zeer oude grafmonumenten.

Hier lyt begraven de eersaeme Jan Hendricks van Loon en de deugtsaeme Heser Ploveris echte luyden waervan de laetste gestorven anno 1667’ en ‘Hier leidt begraven Neltie Peters een dochter van Peter Henderichs Schoester anno 1701 den 5 Marti’.

Uit bovenstaande beschrijving zou je het idee kunnen hebben dat maar weinig gebouwen de oorlog in 1850 hebben overleefd. Maar er zijn echt nog oude panden te vinden. Zo is het dubbelgevelhuis aan de Prinzenstrasse 23 een mooi voorbeeld. De remonstranten laten ook mooie huizen na zoals het Haus Laman Trip uit 1626-1629 (Prinzenstrasse) en het Paludanushaus (Prinzenstrasse 28) uit 1637. Ook later in de tijd bleven de remonstranten bouwen. Zo is er net buiten de echte binnenstad aan de oostzijde nog een Remonstrantenhuis gebouwd in 1909. Het ligt wat verscholen achter het groen. Dit was het woonhuis van de pastoor. Er is nu een kliniek in gevestigd; er komt elke maand een pastoor uit Nederland over voor de dienst en die heeft geen woning meer nodig. 

In het noordelijk stadsdeel is de dichtheid lager, vooral naar de rivier Treene toe. De huizen worden lager, tot eenlaags met een kap. De woningen benutten ook niet echt de ligging aan het water. Ook in het zuidelijkste deel van de stad is de dichtheid lager dan in het centrum. Hier hebben nog een klein aantal fabrieken en pakhuizen gestaan, zoals een mosterdfabriek aan de Holmertorstrasse. Op zich is dat niet vreemd omdat de oude haven aan deze kant aan de stad grenst. 

Glückstadt en Friedrichstadt, bijna gelijktijdig gesticht door leden van het Koninklijke Huis van Denemarken. Dat het gestichte steden zijn, is er nog altijd goed aan af te lezen. Maar ze zijn ook heel verschillend. Het grotere Glückstadt met zijn prachtige ligging aan de Elbe, waar maar weinig toeristen komen, en het kleine Friedrichstadt met iconische Hollandse trapgevels met veel toeristen en informatieborden (in zowel Duits als Deens). Beiden zeer de moeite waard en leerzaam om iets van de bewogen geschiedenis van Sleeswijk-Holstein te begrijpen.

2022

Deel dit artikel