Nalatenschap
Lissabon

Nalatenschap


In plaatsen die toeristen makkelijk weten te vinden, is het vaak druk bij de meest bekende bezienswaardigheden. Voor ons is het altijd de uitdaging om verder te kijken, op zoek te gaan naar minder bekende plekken die ook de moeite waard zijn. In Lissabon vonden we die plek bij het Gulbenkian museum en tuin. We hebben bij een aantal vrienden nagevraagd of ze het kenden en dit bleek niet het geval te zijn. Reden te meer om onze ervaring met jullie te delen.

Het Gulbenkian museum, het centrum voor moderne kunst en bijbehorende tuin liggen in het noorden van de stad. Nog iets ten noorden van de Parque Eduardo VII en redelijk ver van de bekende toeristische attracties in de stad, in het stadsdeel Palhavã. De entree van de tuin en Centro de Arte Moderna José de Azeredo Perdigão (kortom CAM), ligt aan de Avenida António Augusto de Aguiar. Het Gulbenkian museum bereik je via Avenida de Berna aan de noordzijde.

Lissabon
Lissabon

Wat ons bijzonder trof op deze plek was de combinatie van tuin, architectuur en kunst en het feit dat veel inwoners van de stad deze plek als een vanzelfsprekendheid ervaren. Jardim Gulbenkian, wat wij eerder een park dan een tuin zouden noemen, kan worden afgesloten maar is overdag open en gratis toegankelijk. Wij bereikten het terrein via de entree naar het centrum voor moderne kunst. Nou moet je weten dat wij als architecten geneigd zijn in een rechte lijn naar een gebouw te lopen. Wellicht nog een rondje eromheen en dan snel op zoek naar de entree. Maar hier werden we eerst de tuin ingezogen. Dat kwam door het ontwerp van de entree van het centrum voor moderne kunst dat heel vanzelfsprekend overgaat in de tuin En het bracht ons in gedachten terug in Brazilië.

In 2002 en 2005 zijn we naar Brazilië geweest. Een van de zaken die ons is bijgebleven, is de natuurlijke combinatie van architectuur en tuin of landschap. Dat was vooral te danken aan het werk van de landschapsarchitect Roberto Burle Marx (1909-1994) en architect-stedenbouwkundige Lúcio Costa (1902-1998). Laatstgenoemde was een aanhanger het Braziliaanse modernisme en is verantwoordelijk geweest voor het ontwerp voor de nieuwe hoofdstad Brasilia in 1956. Burle Marx is de vader van de modernistische landschapsarchitectuur in Brazilië. Hij was een van de eerste tuinarchitecten die inheemse Braziliaanse planten in zijn projecten gebruikte. Zijn werk had wereldwijd een grote invloed op het ontwerp van tropische tuinen in de twintigste eeuw. Interessant om te zien dat zijn invloed ook reikte tot de streken van de voormalige kolonisator van Brazilië, Portugal. Dit samengaan van moderne architectuur en landschap was wat wij in Jardim Gulbenkian herkenden.

Hoogste tijd om eerst iets over de heer Gulbenkian te vertellen. Calouste Sarkis Gulbenkian (1869-1955) komt uit Scutari, nu Üsküdar en tegenwoordig onderdeel van Istanboel. Hij studeerde technische wetenschappen aan het King’s College in Londen. Tijdens zijn tijd in Londen verdiepte hij zich ook in geologie en praktische natuurkunde. Na zijn studie was hij betrokken bij de oprichting van Shell waar hij zijn kennis over fossiele brandstoffen goed kon gebruiken. In 1902 werd hij genaturaliseerd tot Brit. Hij hielp bij de oprichting van verschillende oliemaatschappijen en vergaarde als aandeelhouder zijn fortuin. Deze rol bezorgde hem zijn bijnaam: Mr. Five Percent.

Hij investeerde veel geld in kunst dat hij aanvankelijk onderbracht in een privémuseum in zijn huis in Parijs. Toen Duitsland in 1940 Frankrijk bezette, vluchtte hij met de Franse regering naar Vichy. In 1942 week hij uit naar Lissabon waar hij tot zijn dood leefde hij in het oude Aviz Hotel. Hij gaf veel kunstenaars directe opdrachten waaronder aan René Lalique, een glaskunstenaar (er is een museum met zijn werk in Doesburg). Bij zijn overlijden in 1955 werd Gulbenkians vermogen geschat op 840 miljoen dollar; een enorm vermogen in die tijd. Na zijn dood werd met zijn fortuin de charitatieve en culturele stichting met de naam Fundação Calouste Gulbenkian opgericht.

De Calouste Gulbenkian stichting is de paraplu van zes verschillende instellingen: een museum, een centrum voor moderne kunst, een tuin, een kunstbibliotheek, muziek en een instituut voor geavanceerde studies. De stichting startte met de prijsvraag voor de bouw van een museum voor de verzameling van de naamgever en een ontwerp voor het park. De locatie was het voormalige park van een paleis dat al in 1957, twee jaar na de dood van Gulbenkian, werd aangekocht. De architecten Ruy Jervis d'Athoguia (1917-2006), Pedro Cid (1925) en Alberto Pessoa (1919-1985) wonen de prijsvraag met een groot betonnen gebouw. De architecten werkten samen met de landschapsarchitecten Gonçalo Ribeiro Telles (1922-2020) en Manuel de Azevedo Coutinho die in 1958 de opdracht kregen om het park te revitaliseren. Park en museum werden in 1969 in gebruik genomen.

Gulbenkian tuin en musea
Gulbenkian tuin en musea

Het terrein van 7,5 ha behoorde in de 18e en 19e eeuw bij een boerderij aan de rand van stad en stond bekend als de Quinta do Provedor dos Armazéns. Op het terrein stond een gebouw, een boomgaard, een wijngaard, een groentetuin en er werden granen verbouwd. In 1861 werd het terrein aangekocht door Eugénio de Almeida, adviseur van de regering. Er werd een neoclassistisch paleis gebouwd en een grote tuin aangelegd. Het laatste is ontworpen door Jacob Weiss, een Zwitserse tuinier getraind in de Franse stijl. Het park kreeg de naam Santa Gertrudes. Na het overlijden van de eigenaar verkocht zijn vrouw het park aan een dierentuin. Die functie behield het park vervolgens 10 jaar. In die tijd werd het een ontmoetingsplek voor de lokale mensen. Begin 20e eeuw werd een paardenrenbaan toegevoegd en in 1943 werd deze plek het kermisterrein van de stad. Hier kwamen de mensen bijeen voor muziek, theater, dans, eten en drinken. De Calouste Gulbenkian Foundation was zeer gecharmeerd van deze plek, juist door de historie waar natuur, cultuur en mensen elkaar al zo lang troffen. Dat gebruik moest in hun ogen worden doorgezet.

Wat we nu als tuin zien, is niet meer het ontwerp uit de zestiger jaren. In 1975 was er mede als gevolg van de iepenziekte en de bouw van het centrum voor moderne kunst een aanpassing van het park nodig. Dit ontwerp werd gemaakt door António Viana Barreto (1924-2012). Hij vergrootte de variatie in landschap en beplanting in het park, met dichte heterogene bossen en open delen. In 2000 werd Gonçalo Ribeiro Telles, een van de oorspronkelijke landschapsarchitecten, gevraagd voor een plan voor de revitalisering van het park toen delen van het park aan het einde van hun levensduur waren gekomen. Deze werkzaamheden werden in 2012 afgerond.

Het park had oorspronkelijk twee grote vijvers, nu is er één grote natuurlijke vijver en een vijver direct naast het museum. De waterstromen naar de vijver zijn zichtbaar gemaakt en zijn omzoomd met begroeide oevers. Het ontwerp van het park zou je ‘subtiel geometrisch’ kunnen noemen. De paden en bruggen zijn gemaakt van aaneengeschakelde grote vierkante betonnen blokken. Hoogteverschillen worden subtiel in de blokken meegenomen. Je voelt je een beetje als kind dat van blok naar blok springt, met een vrije keuze in welke kant je op wilt gaan. Speels loop je dan op de blokken door het gras, vervolgens door het bos, langs oeverbegroeiing en over het water. Bankjes en tafels zijn op dezelfde speelse manier als betonnen voorwerpen tussen de bomen gedrapeerd. De associatie met Brazilië blijkt niet zo vreemd als je naar de beplanting kijkt: eucalyptusbomen, de Braziliaanse peperbomen ((Schinus terebinthifolia) en pampus gras. In de tuin is er een grote openlucht amfitheater met ruimte voor 1000 bezoekers. Hier vindt elke eerste twee weken van augustus een festival van jazzmuziek plaats.

Beeld en centrum voor moderne kunst
Beeld en centrum voor moderne kunst

Diverse kunstwerken staan in de tuinen in de nabijheid van de gebouwen. Een groot aantal bronzen beelden maar ook beelden in andere materialen. Een van de kunstwerken valt direct op omdat het zo bij de architectuur van het museum past; het lijkt een deel van een huis in beton uitgevoerd. De tekst bij het kunstwerk luidt: “Pedro Cabrita Reis, Monument ter herinnering aan Doutor José de Azeredo Perdigao, eerste president van de stichting CS Gulbenkian ter gelegenheid van 100 jaar geboortedag van Gulbenkian, geplaatst in 1997. “Voor een idee dat voortdurend in aanbouw is, het idee van een huis dat voor altijd in aanbouw is.”

Dat kunstwerk staat dicht bij het museum. Het uit de 60’er jaren huisvest naast het museum ook de stichting en de bibliotheek. Het brutalisme was een architectuurstroming uit de jaren ’50 tot ’80 dat wordt gekenmerkt door rauwe onafgewerkte materialen, met name beton (béton brut) en monumentale geometrische vormen. Jan en ik zijn met deze stroming groot gekomen daar de auditoria van de universiteiten in Delft en Eindhoven in deze stijl zijn gebouwd. Het blijft ons dan ook fascineren. Het Gulbenkian museum is een groot betonnen gebouw van vier bouwlagen aan de entreezijde. Die hoogte ervaar je van buiten nauwelijks door de zware horizontale geleding. Bovendien zijn de verdiepingshoogten laag en ligt de bovenste verdieping wat verder terug (setback). Aan de tuinzijde is het gebouw ruim twee verdiepingen hoog.

Gulbenkian museum
Gulbenkian museum

Bij ons bezoek eind 2025 was het gebouw in renovatie. Gelukkig was een deel van het gebouw wel open met een tijdelijke tentoonstelling over – jawel – Brazilië. Je komt binnen in een immense hal. Ook hier is de vergelijking met de modernistische architectuur in Brazilië te maken. Al die openbare gebouwen van de bekendste Braziliaanse architect Oscar Niemeyer (1907-2012) worden gekenmerkt door hele grote publieke ruimten. We constateren dat het gevoel dat deze ruimte je geeft, op foto of tekening niet te vangen is. De trappen naar de tussenverdiepingen zijn breed en lui, er is ruimte voor grote stromen mensen. De uitgestrekte wanden bieden ruimte om omvangrijke werken tentoon te stellen. Via grote ramen maak je contact met de tuin; het groen lijkt bijna binnen te staan.

Uit de website maken we op dat er een afdeling is met Oosterse en antieke kunst (een link naar de Armeense afkomst van de mecenas) en een afdeling met Europese kunst. Hier ligt de nadruk op toegepaste kunst: kunstvoorwerpen van de elfde eeuw tot halverwege de twintigste eeuw. Daarnaast is er kunst uit de renaissance van Nederlandse, Vlaamse, Franse en Italiaanse meesters en schilderkunst uit de achttiende en negentiende eeuw.

Sinds de jaren vijftig heeft de Calouste Gulbenkian Foundation belangrijke donaties ontvangen van kunstenaars, erfgenamen of nabestaanden en verzamelaars, zoals Sonia Delaunay-Terk, de weduwe van Amadeo de Souza-Cardoso, de Henry Moore Foundation en vele anderen. Dat was een aanleiding om te denken over een . In 1983 werd dit gebouw (CAM genoemd) op het terrein geopend. Dit was het eerste museum in zijn soort in Portugal. Het museumgebouw werd naar een ontwerp van de Engelse architect Leslie Martin (1908-2000) in samenwerking met een Portugees team gebouwd. Ik moet zeggen dat ik nooit eerder van deze architect had gehoord.

Interieur centrum voor moderne kunst
Interieur centrum voor moderne kunst

Het gebouw bestaat uit twee delen in lichtgekleurde natuursteen: een deel aan de straatzijde en een deel aan de parkzijde. Beide delen zijn verbonden door een doorzichtige gang waardoor je altijd zicht op de tuin blijft houden. Deze gang – in een zwarte constructie - wordt direct als tentoonstellingsruimte gebruikt. Je kunt er gewoon doorheen lopen om verder door te tuin te lopen. De gang ontsluit het restaurant, de balie en de zalen. De garderobe en de toiletten zijn in de kelderverdieping gelegen waar een hele grote zitbank is aangebracht. Via een mooie wenteltrap kijk je in een patio waardoor ook in de kelder daglicht is.

Het bouwdeel aan de straatzijde is voor ateliers en lesruimten. Het grote bouwdeel aan de parkzijde is voor tentoonstellingen. Dit bouwdeel is in tweeën verdeeld: een hoge tentoonstellingsruimte (Nave genoemd) aan de achterzijde en kleinere ruimten op entresols en verdiepingen aan voorzijde. Door vernuftig gebruik te maken van het hoogteverschil, kijk je in een van die ruimten door de ramen en zie de voeten van voorbijgangers. De verschillende vormen en maten van de zalen maakt het mogelijk hele verschillende soorten en maten van kunst tentoon te stellen. Wij hebben het ‘bos’ van Carlos Bunga (1976) in de grote zaal mogen zijn: een bos van stammen van zeker vijf meters hoog gemaakt van karton.

Luifel bij centrum voor moderne kunst
Luifel bij centrum voor moderne kunst

Op 21 september 2024 werd het gebouw uitgebreid en vernieuwd. De Japanse architect Kengo Kuma (1954) kreeg hiervoor de opdracht. Zijn opdracht was om een meer holistische benadering van landschap en architectuur vorm te geven. Naar onze mening is hij daarin bijzonder goed geslaagd. De overgang tussen gebouw en tuin is vormgegeven door een groot hangend dak op houten vorkvormige poten en markeert de entree van het gebouw. Het , een canopy in het Engels, omsluit een verder open ruimte, maar geeft bescherming tegen zon en regen. Het voelt als een plek om af te spreken, om rustig heen en weer te drentelen. Je kunt zowel een blik werpen in het museum als in de tuin. De architect heeft gebruik gemaakt van het concept engawa. Dit is een traditionele Japanse veranda als overgang tussen huis en tuin. Doordat de veranda los staat van de grond en het gebouw, komt er nog altijd voldoende daglicht onder de luifel door in het museum.

Deze toevoeging aan het gebouw was opnieuw een aanleiding voor het aanpassen van de tuin. Hiervoor werd de landschapsarchitect Vladimir Djurovic uit Libanon gevraagd. Hij greep terug naar de oorspronkelijke uitgangspunten van de ontwerpers uit de 60’er jaren met alleen inheemse planten maar ook op elementen uit de Japanse tuin. De tuin direct aangrenzend aan het dak van Kuma werd opener en er werden slingerende paden gemaakt naar de meer intense begroeide delen van het park. Er staan losse stoelen in het tuin die zowel in de tuin als onder het dak kunnen worden gebruikt. Weer is er een laag toegevoegd om deze plek aantrekkelijk te maken voor het verblijf en het ontmoeten van mensen.

Onze associatie met het hangende dak van het CAM was overigens helemaal niet met Japan maar met een Portugees gebouw op een paar kilometer afstand: Pavilhão de Portugal, het Portugese paviljoen. In 1998 vond de Wereldtentoonstelling plaats in Lissabon op Alameda dos Oceanos, in Parque das Nações. Het Portugese paviljoen was het belangrijkste gebouw op het Expo terrein aan de Taag. De entree van dit gebouw is gelegen onder een groot hangend dak. Het beeld dat de architect voor ogen stond was een blad papier gelegen op twee bakstenen. Het dak was een uitnodigend gebaar om via deze ruimte naar de andere paviljoens te gaan. De Portugese architect Álvaro Siza Vieira (1933) heeft het ontwerp gemaakt.

Portugees paviljoen
Portugees paviljoen

Je kunt je echt wel voorstellen dat er mensen zijn die hier niet onderdoor durven lopen. De vrije overspanning is 70 m in de lengterichting en 50 m in de dwarsrichting. Na de Wereldtentoonstelling is er veel te doen geweest over dit gebouw. Er zijn veel onderzoeken gedaan naar een nieuw gebruik. In 2015 werd het gebouw overgedragen aan de universiteit, die vanaf dat moment ook verantwoordelijk werd voor het onderhoud. Het gebouw heeft nu een auditorium (600 plaatsen), tentoonstellingsruimten, vergaderzalen en een restaurant. Het Expo terrein is overigens nog altijd een bezoek waard. Veel gebouwen zijn in gebruik, er is nieuw bijgebouwd, de openbare ruimte is prettig en de kabelbaan is blijven staan. Het terrein is goed te bereiken via het treinstation Oriente, een ontwerp van de Spaanse architect Santiago Calatrava (1951).

Terug naar Jardim Gulbenkian. Wat is het toch een wonderlijk en gelaagde geschiedenis op deze plek in de stad. Hoe een Armeniër in Engeland multimiljonair werd, dat land na de oorlog de rug toekeerde en naar Portugal emigreerde. Daar zijn rol als mecenas voor de kunstwereld verder uitbouwde met een ongelofelijk grote nalatenschap in geld, kunst en een plek waar natuur, cultuur en mensen bij elkaar komen. Waar telkens aanpassingen werden gemaakt aan het groen en de gebouwen, maar waar men nooit van de oorspronkelijke identiteit afweek maar erop voortbouwde. Wij doen ons best om er een beeld van te geven, maar eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er maar één manier is om het te ervaren en dat is er heen te gaan.

‘I am somewhat of a dreamer and in my early youth was destined to follow the study of astronomy, but my father put me into business … However, I still like to look for distant horizons and conceptions’

Calouste Sarkis Gulbenkian

2026

Deel dit artikel