Kloosterlingen wijden hun leven aan God en de godsdienst. Dat doen zij door in stilte, rust en bezinning te leven in een gemeenschap. Ze wonen apart, afgesloten van de buitenwereld. De religieuzen wonen in contemplatieve gemeenschappen, hetgeen betekent dat men een beschouwend leven leidt onder de regels van een kloosterorde. In de 19<sup>e</sup> eeuw zijn er veel apostolische congregaties opgericht. De religieuzen van deze congregaties blijven niet achter de muren maar hebben een actieve inzet in de maatschappij door het apostolaat, hun activiteiten. Zij werken dus ook buitenshuis. De kloosterlingen zijn vervolgens onderling verbonden door een kloosterregel die eigen is aan de orde. Die regels gaan over aspecten van het dagelijks kloosterleven en de spirituele beoefening van de godsdienst. Ze roepen in het algemeen op tot een gehoorzaam, kuis en arm leven dat gericht is op God. Er zijn daarnaast regels van de congregatie over vaste gebedstijden, dagorde, maaltijden en de weg die iemand aflegt van roeping tot professie. De basis van de regels is gelegd door heiligen zoals Augustinus (354-430), Benedictus (480-547), Franciscus (1181-1226) en Dominicus (1170-1221). De kloosterorde wordt genoemd naar de regels van de heilige die zij volgen. De grootste groepen zijn augustijnen (en norbertijnen), benedictijnen (en trappisten), later gevolgd door de franciscanen (en clarissen) en dominicanen. De laatste twee zijn zogenaamde bedelordes en waren veelal in de stad gevestigd omdat zij geen (land)bezit kenden en leefden van giften en kleine vergoedingen. Zo is er is een ‘woud’ aan verschillende kloosterorden en congregaties ontstaan. 2021 werd door de provincie uitgeroepen tot het Brabants kloosterjaar. In het boek dat voor deze gelegenheid is uitgegeven (Bindboek Ons Kloosterpad) wordt gemeld dat zij een poging hebben gedaan om zoveel mogelijk kloosters en congregaties in beeld te brengen. Zo eenvoudig is dat blijkbaar niet.